Duik in het Overijssel van toen! Via onderstaande zoekbalk kunt u direct door onze collecties zoeken, dit kan bijvoorbeeld op trefwoord, toegangscode, locatie, periode of gebruik de filteropties. Wilt u eerst meer uitleg over hoe het zoeken in de archieven en collecties werkt? Bekijk dan de pagina archiefonderzoek, bouwdossiers of beeld en geluid.

Uw zoekacties: Provinciaal Bestuur van Overijssel
x0025 Provinciaal Bestuur van Overijssel ( Historisch Centrum Overijssel (HCO) )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

0025 Provinciaal Bestuur van Overijssel ( Historisch Centrum Overijssel (HCO) )
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
Zoektips!

Wildcards kunnen het zoeken vergemakkelijken:

  • Een ? (vraagteken) vervangt een letter
  • Een * (sterretje) vervangt een aantal letters
  • Door een $ (dollarteken) voor een zoekterm te zetten, zoekt u naar woorden die op elkaar lijken.

Meer zoektips vindt u hier.

 
 
Inventaris
Inleiding
1. Voorwoord
Bijna twintig jaar zijn verstreken sedert de archieven van het provinciaal bestuur van Overijssel uit de periode 1813 - 1948 de griffie verlieten en overeenkomstig de wet werden ondergebracht in het rijksarchief in Overijssel. De niet alleen qua omvang (ca. 1.5 km) maar ook qua inhoud belangrijkste negentiende- en twintigste-eeuwse archieven die het rijksarchief beheert, voldoen met het verschijnen van deze inventaris aan de te stellen eisen van toegankelijkheid en - hetgeen evenzeer van belang is - van materiële zorg.
Nu tegelijkertijd ook de archieven van het provinciaal bestuur van Overijssel uit de periode 1948 - 1970 naar het rijksarchief worden overgebracht, voorzien van een inventaris en materieel verzorgd overeenkomstig de huidige normen, loopt de provincie Overijssel voorop bij het toegankelijk en openbaar zijn van haar archieven.
Hoewel de provincie als overheid "tussen stad en staat" minder tot de verbeelding spreekt dan het rijk of de gemeente, kan men bij onderzoek op welk niveau ook, niet heen om de archieven van de provincie. Deze bevatten een rijke hoeveelheid informatie die ook voor de geschiedschrijving op rijks- en gemeenteniveau onmisbaar is. Met name vanwege de functie van doorgeefluik van rijk naar gemeenten en vice versa hebben vele gegevens zich in de provinciale archieven opgehoopt die van belang zijn voor zeer uiteenlopende terreinen van onderzoek.
Het is te hopen dat de nu voor iedereen toegankelijke neerslag van ruim anderhalve eeuw bestuurlijk handelen van het provinciaal bestuur van Overijssel voor historici niet alleen een belangrijke bron vormt voor vele soorten van onderzoek, maar ook dat het in goede en geordende staat beschikbaar komen van dit materiaal een aanzet zal geven tot hernieuwde en ook vernieuwende studies naar de geschiedenis van Overijssel, haar regio's, gemeenten en waterschappen in de vorige en in deze eeuw. Zwolle, 1 februari 1995 H. Bordewijk. Rijksarchivaris in Overijssel
2. De organisatie van het provinciaal bestuur 1813-1948
2.1. Voorgeschiedenis
Het Napoleontische rijk, waarvan de voormalige Republiek sinds 1810 een integraal deel uitmaakte, viel uiteen na de slag bij Leipzig in oktober 1813. Al snel verschenen de eerste geallieerden aan de grens van Overijssel. Op 12 november trok een groep vrij ongeregelde Russische kozakken de hoofdstad Zwolle binnen. Daarop trad de prefect mr. C.G. Hultman af. De kozakken werden op 20 november gevolgd door een korps van de Russische kolonel Leon Alexandrowitch prins Naritschin *  . Reeds de volgende dag nam hij maatregelen om in het bestuur van het departement van de Monden van den IJssel, zoals Overijssel toen genoemd werd, te voorzien. De bestuurlijke indeling bleef voorlopig nog op Franse leest geschoeid. Deze indeling stamde uit 1807, toen de Bataafse Republiek werd omgedoopt in het Koninkrijk Holland.
Bij de wet van 13 april van dat jaar werd ons land verdeeld in tien departementen. Hiertoe werden met ingang van 18 juli 1807 de grenzen gewijzigd tussen Overijssel en Gelderland, alsook tussen Overijssel en Amstelland (Noord-Holland). Bij deze gelegenheid kreeg de provincie tevens de naam departement van de Monden van den IJssel. Op een lager bestuurlijk niveau werden de departementen onderverdeeld in kwartieren. Zo werden in Overijssel de kwartieren Almelo, Deventer en Vollenhove ingesteld *  . Met de inlijving van het Koninkrijk bij het Franse Keizerrijk met ingang van 1 januari 1811 werden deze kwartieren bij Keizerlijk Decreet omgedoopt in de arrondissementen Almelo, Deventer en Zwolle.
Op 21 oktober 1810 was bij Keizerlijk Decreet de scheiding tussen rechterlijke macht en administratief bestuur doorgevoerd. Naast arrondissementen moesten nu kantons en gemeenten gevormd worden. Voor Overijssel betekende dit een ingrijpende wijziging van de indeling in steden en schout- en richterambten. Met ingang van 1 januari 1811 werden de nieuwe gemeenten ingevoerd, veelal met grote veranderingen in de ressorten. Een aantal gemeenten vormden een kanton; op hun beurt een aantal kantons een arrondissement. In 1814 herkreeg Overijssel haar grenzen van vóór 18 juli 1807, krachtens artikel 54 van de op 29 maart 1814 afgekondigde grondwet voor de Vereenigde Nederlanden. Ter uitvoering van dat artikel werd bij Soeverein Besluit (S.B.) van 6 september 1814 bepaald, dat de in 1807 bij Gelderland gevoegde buurschappen met ingang van 19 september daaropvolgend weer bij de oorspronkelijke gemeenten gevoegd werden. Voor de overzichten van de arrondissementen met de daaronder ressorterende kantons en gemeenten wordt verder verwezen naar bijlage I p. lix.
Zoals de bestuurlijke indeling van het departement van de Monden van de IJssel voorlopig gehandhaafd werd, gebeurde dat ook met de overige inrichting van het bestuur. Prins Naritschin stelde op 21 november B.H. baron Bentinck tot Buckhorst aan tot provisioneel gouverneur van het departement. Bentinck zou in het bestuur bijgestaan worden door de gedelegeerden G. Royer, A. Sandberg, H.W. Greven en W.S. van der Gronden *  . In afwachting van nieuwe wetgeving vaardigde Bentinck direct na zijn benoeming een proclamatie uit, waarbij de bestaande Franse wetgeving en administratie voorlopig gehandhaafd bleven *  .
Zie ook het organisatieoverzicht in bijlage II p. lxi. Op landelijk niveau was op 21 november het voorlopig bestuur in handen genomen door mr. G.K. van Hogendorp, mr. A.F.J.A. van der Duyn van Maesdam en L. graaf van Limburg Stirum, in naam van de in Londen verblijvende Prins van Oranje. Twee weken na diens terugkeer in Nederland, op 30 november 1813, benoemde hij zelf in ieder departement twee commissarissen-generaal. De provisionele gouverneurs en de gedelegeerden werden onder dankzegging voor hun werkzaamheden ontslagen. Op 18 december 1813 droeg Bentinck, die inmiddels tot commissaris-generaal van oorlog was benoemd, zijn werkzaamheden over aan zijn opvolgers, A.W. baron van Pallandt tot Eerde en W.H. baron van Hambroick tot Weleveld *  .
Ook zij bleven niet lang in functie. Bij Koninklijk Besluit (K.B.) van 6 april 1814 nr. 1 werd namelijk bepaald dat de commissarissen-generaal op een nader te bepalen tijd ontslagen zouden worden. Als hun opvolger werd de voormalige provisionele gouverneur, B.H. baron Bentinck tot Buckhorst, tot gouverneur van Overijssel benoemd *  . Op 11 mei 1814 nam hij de werkzaamheden van de commissarissen-generaal daadwerkelijk over *  . Direct na hun aantreden hadden de commissarissen-generaal enkele proclamaties uitgevaardigd ten aanzien van de organisatie van het bestuur van het departement.
Ter ondersteuning van het departementale bestuursapparaat benoemden zij een secretaris-generaal, mr. W.S. van der Gronden, en een raad van het commissariaat- generaal *  . Deze raad nam de functies van de voormalige raad van prefectuur waar, die de prefect had bijgestaan door beroepszaken te behandelen, onder meer betreffende de directe belastingen. Alle leden van de voormalige raad werden herbenoemd, te weten C.W.A. van Haersolte tot den Doorn, J. ter Pelkwijk, A. Sandberg tot de Laer en C.W. baron Sloet tot Tweenijenhuizen. De secretaris-generaal fungeerde tevens als secretaris van deze raad, die in functie bleef tot de installatie van het college van gedeputeerde staten op 6 oktober 1814 *  .
De commissarissen-generaal benoemden in december 1813 tevens commissarissen voor de drie arrondissementen in het departement *  . Het waren F.W. baron Sloet tot Warmelo voor het arrondissement Almelo, mr. A.C. baron Bentinck tot Nijenhuis voor het arrondissement Deventer en mr. W.H. Royer voor het arrondissement Zwolle. Zij namen de werkzaamheden van de voormalige onderprefecten over met ingang van 18 december. De Zwolse advocaat mr. W.H. Royer bedankte al op 24 december 1813 voor zijn functie van commissaris van het arrondissement Zwolle.
In zijn plaats benoemden de commissarissen-generaal mr. S.J. baron Sandberg tot de Essenburg *  . In maart en april 1814 werd de commissaris van het arrondissement Almelo F.W. baron Sloet opgevolgd door zijn zoon L.A. baron Sloet tot Warmelo *  . De commissarissen bleven krachtens artikel 5 van het K.B. van 6 april 1814 nr. 1 in hun ambt gehandhaafd totdat de nog samen te stellen Provinciale en Gedeputeerde Staten hun eerste vergadering zouden houden. Dat artikel werd echter niet tot uitvoering gebracht. Na de samenstelling van de statencolleges van Overijssel mochten de commissarissen hun functie nog tot en met 31 december 1814 blijven uitoefenen, krachtens artikel 4 van het K.B. van 6 september 1814 nr. 38. Daarmee werd beoogd de organisatie van het bestuur van de steden en het platteland beter te regelen *  .
Op het eind van 1814 bleek de organisatie van het bestuur nog niet geheel geregeld te zijn. Daarop besloot Koning Willem I op 26 december 1814 de ambtstermijnen van de commissarissen met nog twee maanden te verlengen. Alleen de commissarissen van de arrondissementen, waarin de hoofdsteden van de betreffende provincies gelegen waren, kregen geen verlenging *  . Daarop verzocht de commissaris van het arrondissement Zwolle op 31 december 1814 aan de gouverneur zijn bureau enige tijd te mogen voortzetten op eigen kosten, om de lopende zaken af te handelen. De gouverneur stemde hierin toe op 2 januari 1815 *  . Hoewel zij in het K.B. van 26 december 1814 nr. 51 niet expliciet genoemd werden, lagen de redenen voor de verlenging van de ambtstermijnen in de organisatie van de landmilitie en de landstorm. Op 28 februari 1815 werden de commissarissen van hun functie ontheven *  . Tot in het jaar 1816 werden zij nog enkele keren door de gouverneur aangeschreven over diverse bestuurszaken tijdens hun ambtsperiode en de overdracht van hun archieven.
2.2. Instellingen
2.2.1. Algemeen
Op 29 maart 1814 kwam de grondwet voor de Vereenigde Nederlanden tot stand, waarin ook een aantal bepalingen omtrent het bestuur van de provincies opgenomen zijn. Zo werd in de artikelen 73-75 bepaald dat er staten van iedere provincie (P.S.) zouden zijn, waarvan de samenstelling geregeld zou worden door de Soevereine Vorst. Voor het dagelijks bestuur van de provincie konden de staten uit hun midden een college van gedeputeerde staten (G.S.) benoemen (artikel 93). Voorts werd in iedere provincie een gouverneur benoemd (artikel 76) *  .
Ter ondersteuning van de bestuursorganen werden de administratieve werkzaamheden uitgevoerd onder leiding van een griffier. Hij was de opvolger van de secretaris-generaal. De bestuurslaag van de commissarissen in de arrondissementen verdween met deze nieuwe bestuurlijke inrichting. Hun taken werden overgenomen door de gouverneur. De grondwet werd in 1815 al gedeeltelijk herzien in verband met de vereniging met België. Ook daarna zijn er nog vele malen grote of minder grote wijzigingen doorgevoerd. De herziening van 1848, via een aparte provinciale wet in 1850, springt daarbij wel het meest in het oog. De institutionele structuur van de provincie als zodanig werd echter niet meer aan veranderingen onderworpen. De onderscheiding in drie organen, P.S., G.S. en gouverneur, bleef steeds gehandhaafd met globaal dezelfde taakstellingen, hoewel soms met andere namen. Zo werd de gouverneur vanaf 1850 commissaris van de Koning (in) genoemd.
Ten tijde van de Tweede Wereldoorlog werd de inrichting van het bestuur van de provincies aanvankelijk gehandhaafd, zij het dat er in elke provincie een "Beauftragte" kwam van de rijkscommissaris voor het bezette Nederlandse gebied. In augustus 1941 bepaalde de rijkscommissaris dat de werkzaamheden van P.S. en G.S. zouden blijven rusten. Hun taken zouden worden waargenomen door de commissaris van de provincie, die daarin bijgestaan zou worden door bestuursraden. Verder voorzag deze verordening nog in de benoeming van "raadslieden der provincie". Dit waren ingezetenen van de provincie die tot taak hadden de commissaris raad te geven en voorstellen te doen.
Verder moesten zij begrip kweken voor zijn maatregelen bij de bevolking. Hun aantal beliep een derde van het aantal statenleden volgens de provinciale wet. De invoering hiervan liep overigens wel enige vertraging op. Bij de bevrijding van ons land trad het K.B. van 17 september 1944, Staatsblad E93, in werking, waarbij de hier genoemde regelingen buiten werking werden gesteld. In mei 1946 werden in alle provincies weer staten gekozen, zodat het provinciaal bestuur weer door de drie vertrouwde organen P.S., G.S. en commissaris kon worden uitgeoefend *  . Een overzicht van bestuurders en griffiers in de periode 1813 - 1948 is opgenomen in bijlage III p. lxii.
2.2.2. Provinciale Staten
De Overijsselse statenvergadering die in 1814 ingesteld werd, bestond uit 63 leden, gelijk verdeeld over de drie standen: edelen, steden en landelijke stand *  . De edelen werden gekozen door hun standgenoten, terwijl de statenleden voor de steden uit en door de stedelijke raden werden benoemd. Voor de statenleden uit de landelijke stand gold een beperkt censuskiesrecht *  . De grondwet van 1848 bracht hier verandering in. Volgens artikel 123 moesten P.S. nu direct worden gekozen. Het aantal statenleden werd op 47 gebracht.
De eerste rechtstreekse verkiezing van de Overijsselse staten leverde enige moeilijkheden op, omdat er nog geen afzonderlijke wet voor de verdeling van de provincie in kiesdistricten was. Dat kon ook niet, want vooraf moesten daarover P.S. gehoord worden. Daarom werden de leden nog volgens het oude systeem van kiesdistricten voor de landelijke stand gekozen *  . Pas in 1852 kwam de wet tot stand, waarbij Overijssel verdeeld werd in 12 hoofdkiesdistricten en waarin werd aangegeven hoeveel statenleden in elk district gekozen moesten worden. Ook werd in die wet geregeld dat in 1853 24 leden zouden aftreden, in 1856 23 en zo beurtelings om de drie jaar.
Omdat P.S. slechts eenmaal - na 1848 twee maal - per jaar vergaderden, was hun feitelijke invloed op de gang van zaken in de provincie niet groot. In de zittingen werden alleen de grote lijnen van het provinciale beleid bepaald; de nadere invulling kwam voor rekening van G.S. Bij de vaststelling van de grondwet van 1815 was er ook bewust voor gekozen om het provinciaal bestuur niet al te veel macht te geven. Het sterkst bleek die geringe invloed wel uit het ontbreken van een eigen budgetrecht. Voor alles wat geld kostte was men afhankelijk van de goedkeuring van de minister van binnenlandse zaken en - uiteindelijk - van de Koning. De kosten van de bestuursorganisatie van de provincie kwamen eveneens ten laste van de rijksbegroting.
Alleen de aanleg en het onderhoud van provinciale openbare werken en het beheer van zekere rijkswaterstaatswerken mocht de provincie met eigen middelen financieren, onder toezicht van het algemeen bestuur (artikelen 150 en 219). De provinciale wet van 1850, die het reglement voor de provincies van 1825 verving, bracht een lichte verbetering. Voor een deel van haar uitgaven kreeg de provincie nu een eigen begroting. Daarnaast zorgde deze wet voor enige democratisering van het provinciaal bestuur. Zo bepaalde artikel 69 dat de vergaderingen van P.S. in principe openbaar waren. Naast de bestuurlijke taak vormden P.S. het kiescollege voor de leden van de Tweede Kamer. Deze functie werd afgeschaft met de grondwetsherziening van 1848. Voortaan werd de tweede kamer rechtstreeks gekozen door de bevolking, zij het voorlopig nog steeds volgens een censuskiesrecht. Toch bleven P.S. nog een kiescollege vormen voor het landelijk bestuur, maar nu voor de Eerste Kamer.
2.2.3. Gedeputeerde Staten
In augustus 1814 was de vierhoofdige raad van het commissariaat-generaal -inmiddels raad van de gouverneur geheten - vervangen door een college van G.S.. De leden waren op 6 oktober 1814 in de Zwolse concertzaal Odeon geïnstalleerd *  . Het college bestond uit maar liefst negen leden: drie uit de stand der edelen, drie uit de steden en drie uit de landelijke stand. Het nieuwe bestuurslichaam fungeerde als dagelijks bestuur van de provincie. De verordenende bevoegdheid van P.S. werd in de praktijk vooral door G.S. gerealiseerd. Veel zaken werden in commissies behandeld. In 1820 werd de belastingrechtspraak door het college van G.S. overgedragen aan de gewone rechter. Het aantal leden kon toen worden teruggebracht tot zeven: twee uit elke stand en een "uit één der onderscheiden standen naar welgevallen" *  .
Artikel 45 van de provinciale wet van 1850 verminderde het aantal leden van G.S. tot zes, waarvan om de drie jaar de helft aftrad. Na verloop van tijd werd de positie van G.S. steeds belangrijker, zowel ten opzichte van de commissaris als ten opzichte van P.S. *  . Zij kregen ook de beschikking over een aanzienlijk ambtenarenapparaat.
2.2.4. Gouverneur/commissaris van de Koning (in)
Volgens de grondwet van 1814 zouden er zijn "in alle provincien of landschappen commissarissen van den Souvereinen Vorst onder zulke benaming als Hij zal goedvinden. Hij geeft aan dezelven zoodanige instructie, als hij ter uitvoering van het gezag Hem bij deze grondwet toegekend zal vermeenen te behooren (...)" *  . De instructie die ingevolge deze grondwet tot stand kwam, had een sterk centraliserend karakter. Alleen uit de titel "gouverneur" bleek al, dat de regering bij hem, als vertegenwoordiger van het staatsgezag, het bestuur van de provincie wilde laten berusten *  . Belangrijk was de bepaling dat voor de uitvoering van al hun taken de gouverneurs van dezelfde ambtenaren gebruik moesten maken als P.S. en G.S. *  .
In de grondwet van 1815 werd de aanstelling van een gouverneur in iedere provincie bevestigd *  . Een definitieve instructie voor hem kwam pas tot stand op 15 december 1820. Deze had een nog sterker centraliserend karakter dan de voorlopige. Dit komt met name door het artikel dat bepaalde dat bij staken der stemmen de gouverneur in de vergaderingen van P.S. en G.S. een tweede, beslissende, stem had. Gewoonlijk had de gouverneur in deze vergadering dus ook reeds een stem. Over de grondwettigheid van deze bepaling is lang gestreden *  .
Verder was de gouverneur in de periode 1824-1844 belast met het beheer van en toezicht op de administratie en inning van de rijksbelastingen *  . Hij werd hierbij geassisteerd door de zogenaamde raad van de gouverneur. Deze bestond uit de directeur van de registratie en de directeur van de belastingen, de administrateur van de schatkist, de procureur-crimineel, de hoofdingenieur van de waterstaat en had de griffier van de staten als secretaris. Behalve over de belastingen adviseerde de raad ook in zaken als de registratie, de posterijen en het verkeer en vervoer. Het oppertoezicht bleef in handen van het departement der ontvangsten *  .
De organisatie van de inning van de rijksbelastingen werd tevens veranderd met ingang van 1 januari 1823. De directie van de directe belastingen in Overijssel werd toen namelijk verenigd met de directie van de indirecte belastingen. Aan het hoofd stond voortaan één directeur der directe belastingen, in- en uitgaande rechten en accijnzen in Overijssel met als standplaats Zwolle. Daarnaast was er nog de directie der registratie en domeinen. Hield de gouverneur vanaf 1824 nog alleen toezicht, vanaf 1 maart 1825, resp. 1 januari 1826 ressorteerden omgevormd tot de afdeling registratie, de afdeling directe belastingen en de afdeling kadaster alle belastingdiensten rechtstreeks onder hem en werden de zittende directeuren vervangen door provinciale inspecteurs *  . Deze laatste afdeling werd afgesplitst van de oude directie der directe belastingen in Overijssel. De organisatie van de voorlopers van deze diensten staat beschreven in paragraaf II.
Met ingang van 1 mei 1844 werd de gouverneur ontheven van zijn bemoeienissen met de belastingheffing in zijn provincie. De taken op belastingterrein werden toen weer gescheiden van het gouverneursambt. Tot 1850 was de gouverneur veruit het belangrijkste van de provinciale bestuursorganen. Enerzijds was hij voorzitter van P.S. en G.S., anderzijds echter vormde hij de lange arm des Konings in de provincie. Zodoende was hij een betrouwbaar tegenwicht tegen mogelijke federalistische tendenzen. Dat bleek bijvoorbeeld tijdens de Belgische Opstand in 1831, toen in de katholieke delen van Twente de schutters weigerden in actie te komen tegen hun geloofsgenoten in het oproerige Zuiden. De net benoemde gouverneur Van Rechteren speelde een grote rol in de onderdrukking van dit verzet *  .
De macht van de gouverneur werd later ingeperkt. Vanaf 1841 had hij geen bemoeienis meer met de verkiezing van leden van de tweede kamer en zoals gezegd verloor hij in 1844 het oppertoezicht over de inning van de rijksbelastingen, dat hij in 1824 had gekregen *  . Met de grondwet van 1848 werd de invloed van de gouverneur, die nu commissaris des Konings werd genoemd, op het provinciaal bestuur verder verminderd. Hij verloor zijn stemrecht in de vergaderingen van P.S.. In de vergaderingen van G.S. behield hij nog wel zijn stem, maar die was niet meer beslissend.
2.2.5. Griffie
De provinciale griffie bouwde in haar organisatie en werkzaamheden aanvankelijk voort op de erfenis van het Franse bestuur en van het overgangsbewind van provisioneel-gouverneur en commissarissen-generaal tussen november 1813 en mei 1814. Volgens de grondwet van 1814 werd het personeel van de griffie door de gouverneur benoemd, met uitzondering van de griffier die door de Koning werd aangesteld. De provinciale wet van 1850 deelde de benoeming en het ontslag van de griffier echter toe aan P.S., op voordracht c.q. voorstel van G.S. Ter voldoening aan art. 43 van die wet stelden P.S. op 14 november 1850 een instructie voor de griffier vast *  . Deze instructie werd gewijzigd in 1853 en nogmaals in 1907 *  .
G.S. waren sinds 1850 verantwoordelijk voor aanstelling, schorsing en ontslag van de ambtenaren op de griffie. Deze verantwoordelijkheid is nog nader gespecificeerd in de instructie voor G.S. en kreeg voor wat betreft de griffieambtenaren in 1867 een aparte uitwerking in een reglement op de inrichting der provinciale griffie * 
Het besluit tot deze verandering is gelicht bij G.S. en is ook niet te vinden in het archief van de griffier of in dat van de commissaris van de Koning.. De commissaris was sinds 1850 alleen nog verantwoordelijk voor de ambtelijke organisatie van het provinciaal bestuur. Onverlet dit oppertoezicht van de commissaris had de griffier het toezicht op de griffie. Hij ontwierp de instructies van het personeel en legde ze ter goedkeuring voor aan G.S. De taak van de griffier was tweeledig: enerzijds stond hij aan het hoofd van de provinciale griffie, anderzijds moest hij P.S., G.S. en de gouverneur/commissaris behulpzaam zijn bij de uitoefening van hun taak. Dit betekent onder meer dat hij in de vergaderingen van P.S. en G.S. aanwezig moest zijn en dat de stukken die van P.S. en van G.S. uitgingen door hem mede ondertekend werden.
2.3. Taken en bemoeienissen
2.3.1. Algemeen
Wanneer gesproken wordt over de taken van het provinciaal bestuur, wordt vaak een tweedeling gemaakt in autonomie en zelfbestuur ofwel medebewind. Van autonomie is sprake inzoverre aan het provinciaal bestuur het recht toekomt om, onder hoger toezicht, zelfstandig regels te stellen en te besturen inzake de provinciale huishouding. Bij zelfbestuur wordt het provinciaal bestuur door de rijksoverheid geroepen mee te werken aan de uitvoering van wetten en algemene maatregelen van bestuur. Dit onderscheid is van belang voor de competentieverdeling. Voor autonome daden zijn P.S. primair competent, voor daden van zelfbestuur G.S., zij het met de restrictie dat de regeling uitdrukkelijk aan een ander orgaan toebedeeld kan worden *  .
Naast het stellen en uitvoeren van wetten kwamen de bevoegdheden van het provinciaal bestuur tot uiting in vele taken, die te verdelen zijn in toezicht op de lagere besturen, handhaving van de openbare orde en veiligheid, regulering en bevordering van het economische, sociale, culturele en religieuze leven. Deze taken waren ook weer verdeeld over de verschillende organen van het provinciaal bestuur. Overigens hebben zich in de loop van de periode 1813-1948 vele verschuivingen voorgedaan in de nadruk op bepaalde taken voor de verschillende bestuursorganen.
In de praktijk lagen de bevoegdheden van P.S. met name op het gebied van geldleningen ten laste van de provincie; bezoldiging van provinciale ambtenaren; koop, ruil of vervreemding van provinciale eigendommen; aanleg en verbetering van provinciale wegen, gebouwen en werken en het voeren van rechtsgedingen. Zij konden reglementen en verordeningen uitvaardigen op het terrein van de "gewone inwendige policie en oeconomie" en moesten uitvoering geven aan wetten en algemene maatregelen van bestuur (artikelen 145 en 146 van de grondwet van 1815). Verder hadden zij het toezicht op de waterstaat en op de waterschappen. De belangrijkste taak van G.S. was het voorbereiden en uitvoeren van de besluiten van P.S.. Op dit gebied moesten G.S. met name veel aandacht besteden aan de uitvoering van de provinciale verordeningen, waarvan de subsidieverordeningen het grootste deel uitmaken *  .
Daarnaast hielden zij zich bezig met het beheer van de provinciale financiën en eigendommen, het vaststellen van de plannen en voorwaarden voor werken, door de provincie aan te besteden, het benoemen en ontslaan van alle uit de provinciale kas bezoldigde ambtenaren, voor zover dit aan de staten was voorbehouden, het toezicht op besluiten van gemeente- en waterschapsbesturen en het behandelen van administratieve geschillen. Dit laatste betreft het administratief beroep, dat mogelijk was bij G.S. tegen besluiten van gemeente- en waterschapsbesturen en enkele andere instanties *  .
De gouverneur fungeerde vooral als tegenwicht tegen de staten, die de provinciale belangen behartigden. Volgens artikel 15 van de instructie van 1820 was hij belast met "het toezicht op de rigtige uitvoering van alle wetten, reglementen en verordeningen". Daarnaast had hij de supervisie over de hele rijksadministratie in de provincie (artikel 21) en een belangrijk aandeel in de benoeming van de rijksambtenaren (artikel 24). Hij was verplicht regelmatig inspectiereizen in de provincie te maken en daarover jaarlijks in een vertrouwelijk verslag aan de Koning uitvoerig te rapporteren. Dit verslag staat overigens los van het algemeen verslag dat hij jaarlijks in de statenvergadering uitbracht namens G.S. Met de provinciale wet van 1850 veranderde de aard van de taken van de commissaris. De nadruk kwam nu vooral te liggen op zijn provinciale functie, hoewel hij wel toezicht bleef uitoefenen op de handelingen van de staten.
Hieronder volgt een summier overzicht van de bemoeienissen van het provinciaal bestuur op een aantal taakgebieden, die ook in de inventaris als afzonderlijke rubrieken voorkomen *  . In de inventaris komen overigens eerst nog de interne taken aan bod, zoals organisatie en personeel, en daarna pas de eigenlijke taken. Er is bij dit overzicht geen volledigheid nagestreefd. Waar mogelijk is aangegeven of een bepaalde taak door de gouverneur/CdK. dan wel door G.S. werd behartigd, maar een duidelijke afbakening van het takenpakket van beiden is niet te maken. De gouverneur/CdK. kon immers aan hem gerichte stukken krachtens zijn instructie ofwel zelf afdoen ofwel overdragen aan G.S. In veel zaken fungeerde het provinciaal bestuur slechts als intermediair tussen de lokale instanties en de (beslissende) centrale overheid, soms met een adviserende taak, soms alleen als "brievenbus". Een belangrijke taak van het provinciaal bestuur was alleen al het op de hoogte houden van het landelijk bestuur van ontwikkelingen op allerlei gebied in de provincie. Veel regelingen zijn gepubliceerd in het sedert 1816 verschijnende Provinciaal Blad.
De grondwet van 1815 bepaalde, dat de kosten van de provinciale bestuursorganisatie ten laste van de staatsbegroting zouden komen. Op die algemene regel waren twee uitzonderingen: ingevolge artikel 150 kon de provincie met goedkeuring van het hogere gezag op eigen kosten openbare werken van provinciaal belang aanleggen en onderhouden en op grond van artikel 219 kon de Koning bepaalde rijkswaterstaatswerken in beheer overdragen aan de provincie. De baten van deze werken moesten de kosten dekken. De overdracht van werken ingevolge artikel 219 geschiedde in 1819 *  , maar al gauw bleken de inkomsten niet toereikend. Daarop kregen de provincies in 1821, op grond van artikel 14 van de wet van 12 juli van dat jaar, Staatsblad 9, de beschikking over de opbrengst van 6 opcenten over de grond- en personele belasting.
Daarmee moesten tevens bepaalde voorzieningen van provinciaal belang op andere terreinen, zoals armenzorg en onderwijs, worden bekostigd. Ook kreeg de provincie in 1821 de bevoegdheid leningen af te sluiten. Vanaf 1823 waren er twee provinciale begrotingen, een huishoudelijke die onderdeel uitmaakte van de rijksbegroting en waarop de kosten van het eigenlijke bestuursapparaat waren gebracht, en een algemene provinciale begroting waarvan de uitgaven voor openbare werken het leeuwedeel vormden. Beide begrotingen behoefden de goedkeuring van de Koning, terwijl een rijksambtenaar (de administrateur van 's rijks schatkist) het geldelijk beheer voerde. Alle uitgaven, althans vóór 1834, hadden vooraf het fiat van de algemene rekenkamer nodig *  .
De financiële zeggenschap van de provincie was in deze periode dus wel zeer beperkt. De grondwet van 1848 nam het bestaande twee-begrotingenstelsel in enigszins gewijzigde vorm over en daarmee werd het tot grondwettelijke norm verheven. Ten aanzien van de eigen provinciale begroting werd de macht van de staten wel iets groter. De enkel provinciale begroting werd nu door en niet meer voor de provincie opgemaakt. De taak van de algemene rekenkamer ten aanzien van de provinciale financiën werd ook gewijzigd. Voortaan zou slechts de kasbeheerder der provincie aan haar rekenplichtig zijn en zou de rekenkamer slechts de cijfers van de provinciale rekening deugdelijk verklaren. In de belastingheffing werden eveneens wijzigingen aangebracht (zie hierna § 4. Belastingen). Grote financiële zelfstandigheid werd door een en ander echter niet bereikt.
De macht van de staten ten aanzien van de eigen provinciale begroting was echter wel toegenomen. Bovendien kwam in de praktijk, in tegenstelling tot de bedoeling van de grondwet, het zwaartepunt op deze begroting te liggen. Bij de grondwetsherziening van 1887 werd gestreefd naar meer zelfstandigheid voor de provincie ten aanzien van de begroting. De enkele provinciale begroting werd hierin voorzien, maar de uitwerking ervan kwam pas tot stand in 1905 (Staatsblad 70). Vanaf dat jaar kreeg de provincie één, geheel eigen, begroting. Daarnaast werden verschillende uitgaven, welke tot dusver door het rijk betaald werden, ten laste van de provincies gebracht. Daar werd een op een bepaalde wijze berekende, jaarlijkse, gefixeerde uitkering uit de rijkskas tegenover gesteld.
2.3.2. Toezicht op gemeenten
Eén van de belangrijkste taken van G.S. was het toezicht op de gemeentebesturen. Een overzicht van gemeenten in Overijssel in de periode 1813 -1948 is opgenomen in bijlage IV p. lxxi. Zij konden schorsing of vernietiging vragen van plaatselijke verordeningen en raadsbesluiten, die zij strijdig achtten met de wet of het algemeen provinciaal belang. Daarnaast werd aan G.S. opgedragen geschillen tussen de gemeentebesturen in hun provincie te voorkomen. Slaagden zij daar niet in, dan werd de zaak aan de Koning voorgelegd. Overigens werd er in de periode 1814-1850 onderscheid gemaakt tussen de steden en de niet-stedelijke bestuurseenheden, aangeduid met de term platteland *  .
De eerste categorie had meer bevoegdheden dan de tweede, die wel heel sterk onder het dubbele toezicht van rijk en provincie stond. Voor beide groepen golden bestuursreglementen *  . Voor de steden kwam in 1815 en 1818 een reglement tot stand, dat in 1824 herzien werd. De rol van het provinciaal bestuur was in deze gering. De staten dienden geïnformeerd te worden over nieuw benoemde raadsleden en moesten de instructie van de ontvanger goedkeuren. Sinds 1824 konden zij deze functionaris ook ontzetten en de secretaris schorsen.
Ten aanzien van het platteland was de rol van de provincie, met name de staten, veel groter. Ingevolge het reglement van 1816 benoemden de staten de (3 tot 9) raadsleden, uit een door het gemeentebestuur (in heerlijkheden door de heer) opgestelde voordracht. De schout werd benoemd door de Koning. Hij werd bijgestaan door 2 assessoren, op voordracht van en uit de raad benoemd door de staten, die ook de secretaris aanstelden (op voordracht van het plaatselijk bestuur) en de benoeming van de ontvanger moesten goedkeuren. Het herziene reglement van 1825 wijzigde de benaming schout in burgemeester. Ook deze werd door de Koning benoemd. De 2 assessoren werden nu door de gouverneur benoemd, zonder voordracht van de raad; de raad zelf door de staten, in heerlijkheden op voordracht van de heer, elders na het lokaal bestuur te hebben gehoord. De secretaris werd nu door de Koning benoemd en de ontvanger door de staten, beide op voordracht van de raad (in heerlijkheden van de heer).
Met de gemeentewet van 29 juni 1851 (Staatsblad nr. 85) verdwenen niet alleen de verschillen tussen stads- en plattelandsbestuur, maar werd aan de gemeenten ook een grotere mate van autonomie gegeven. De plattelandsgemeenten kregen nu in vele bestuurlijke zaken zelfstandige bevoegdheden. Daarnaast waren zij belast met de uitvoering van wetten en besluiten van resp. de provinciale en rijksoverheid (zelfbestuur). De bestuurlijke organisatie van de gemeenten veranderde niet zozeer, al werd zij enigszins gedemocratiseerd. Voortaan werd de gemeenteraad rechtstreeks gekozen door (een deel van) de bevolking. Het aantal leden was afhankelijk van het aantal inwoners. De raad kwam minstens zes maal per jaar bijeen in openbare vergadering. De burgemeester was voorzitter van de raad, maar had geen stemrecht. De wethouders, gekozen uit de leden van de raad, vormden samen met de burgemeester het dagelijks bestuur. De gemeenteraad benoemde voortaan de secretaris en de gemeenteontvanger.
Tot het toezicht op de gemeentebesturen behoorde eveneens het toezicht op de financiën van de gemeenten. Ook hier was tot 1850 de bemoeienis met het platteland intensiever dan met de steden. De gemeentelijke begrotingen en rekeningen moesten door G.S. worden goedgekeurd. Voor de plattelandsgemeenten gold bovendien dat zij, met uitzondering van spoedgevallen, geen onvoorziene uitgaven mochten doen zonder toestemming van G.S.. Bij Souverein Besluit van 31 januari 1815 (Staatsblad 9) was een model-begroting voorgeschreven, aan de hand waarvan de centrale overheid kon bepalen wat ten laste van de begroting zou komen. De grondwet van 1814 gaf de plaatselijke besturen wel de vrije beschikking over hun huishoudelijke belangen. Voor de aan- en verkoop, ruil en vervreemding van gemeentelijke eigendommen en het aangaan van leningen was goedkeuring nodig van de Koning, na advies van de staten.
De steden konden zelf beslissen over verhuur of verpachting, maar de plattelandsbesturen waren in deze afhankelijk van de goedkeuring van G.S. Het college van G.S. hield eveneens toezicht op de maatregelen tot de inning van de achterstallige belastingen en de sanering der gemeentefinanciën. De ontvangers voor het platteland werden tot 1850 door de staten benoemd en zonodig ontheven, geschorst of ontslagen; in de steden konden zij de ontvangers alleen ontzetten. Vanwege de afschaffing van de gemeentelijke accijnzen in 1865 raakten veel gemeenten in geldnood. Vanaf 1897 ontvingen de gemeenten daarom uit de rijkskas een bijdrage per inwoner, een vergoeding voor het wegvallen van de verbruiksbelastingen, een aandeel in de wedden van de burgemeester en de secretaris en een gedeeltelijke vergoeding voor de kosten van de armenzorg. G.S. behielden het recht de boeken van de gemeenten in te zien, omdat zij goedkeuring moesten verlenen aan de jaarlijkse gemeentebegrotingen.
2.3.3. Toezicht op waterschappen
Volgens artikel 222 van de grondwet van 1814 werden de bestaande waterschappen in hun rechten bevestigd, maar kwamen zij onder toezicht van G.S.. Namens hen oefenden ingenieurs en opzichters van de waterstaat het technisch toezicht uit op door dijk- en polderbesturen geëntameerde werken aan dijken, wegen en vaarten. De financiering daarvan geschiedde soms met subsidie van het rijk en/of de provincie, maar moest gewoonlijk plaats vinden uit de polderlasten en uit geheven retributies als tolgelden, sluisgelden e.d.. Voorstellen tot heffing van polderlasten en retributies moesten dan ook ter goedkeuring worden voorgelegd aan G.S., bij wie belastingschuldigen ook in beroep konden gaan als zij meenden te hoog te zijn aangeslagen. Bij veel dijk- en polderbesturen geschiedde de benoeming van nieuwe bestuursleden op advies van G.S. door de Koning, uit een voordracht van het bestuur zelf *  . Ook bemoeiden G.S. zich met het verdere functioneren van deze besturen zoals het afhoren van de rekeningen, goedkeuren van keuren en reglementen. Bij de ontwikkeling van het waterschapswezen in Overijssel in de negentiende eeuw hebben de grote overstromingen die zich van tijd tot tijd voordeden een belangrijke rol gespeeld *  .
Vooral de watersnoodramp van februari 1825 in Noord-West Overijssel heeft veel invloed gehad. Mede door de bemoeiingen van de enige jaren later aangetreden gouverneur graaf Van Rechteren en de gedeputeerde J. ter Pelkwijk werd in 1835 een provinciaal dijksreglement vastgesteld. Dit werd in 1845 vernieuwd. In deze reglementen werden voornamelijk de inrichting van het bestuur en de bevoegdheden van de dijksdistricten (waterschappen) geregeld. Voor de kleine polderwaterschappen binnen de dijksdistricten werden in de periode daarna tevens reglementen vastgesteld. Er waren echter nog geen waterschappen in het oosten van de provincie. In 1845 besloten P.S. een onderzoek te laten verrichten naar de verbetering van de waterafvoer in Overijssel. Geadviseerd werd de provincie te verdelen in twaalf waterschappen, die de kosten zouden moeten dragen voor de verbeteringswerken. Het duurde echter nog tot 1879 voordat er iets veranderde. In dat jaar stelden P.S. het grondreglement voor de waterschappen in Overijssel vast. Dit bevatte voorschriften inzake de oprichting van waterschappen, alsmede bepalingen omtrent verkiezingen, waterschapsfinanciën, toezicht van G.S., etc.. Kort daarna, in 1881, besloten P.S. samen met de provincie Gelderland tot de oprichting van twee nieuwe waterschappen: de Schipbeek en de Dortherbeek. In 1883 volgde het statenbesluit tot oprichting van het waterschap de Regge.
2.3.4. Belastingen
De bemoeienis van het provinciaal bestuur met belastingzaken was in de eerste helft van de 19de eeuw vrij omvangrijk. G.S. hielden toezicht op de reorganisatie van de belastingen en van 1814-1819 hadden zij de rechtspraak in belastingzaken (de zgn. judicature over de gemeene middelen). Met ingang van 1 januari 1820 werd deze aan de gewone rechter opgedragen. In de gehele periode hadden G.S. het toezicht over de gemeentelijke belastingen, terwijl de gouverneur in de periode 1824- mei 1844 was belast met het toezicht op de inning van de rijksbelastingen.
2.3.4.1. Rijk
Aanvankelijk bleven na 1813 vele Franse fiscale wetten van kracht. In 1821 werd het belastingstelsel echter herzien in de zgn. grondslagenwet (Staatsblad nr. 9), die verschillende soorten belastingen kende, te weten directe belastingen, indirecte belastingen, accijnzen op diverse levensbehoeften, belastingen op gouden en zilveren werken en in- en uitvoerrechten. Er was dus geen algemene inkomstenbelasting. Deze werd pas aan het einde van de negentiende eeuw ingevoerd. Voor de inning van deze belastingen werden verschillende diensten ingesteld, waarvan de directeuren rechtstreeks verantwoording verschuldigd waren aan de minister van financiën. Met ingang van 1824 werd het toezicht op de inning van de rijksbelastingen echter opgedragen aan de gouverneurs *  .
Van maart 1825 resp. 1826 tot mei 1844 fungeerden daartoe direct onder de gouverneur een provinciale inspecteur der directe belastingen, in- en uitgaande rechten en accijnzen, een provinciale inspecteur der registratie, zegel, successie en hypotheken en een provinciale inspecteur van het kadaster *  .
Alle belastingambtenaren in de provincie dienden hun correspondentie met het ministerie via de gouverneur te voeren. Toch had de gouverneur slechts beperkte bevoegdheden. De meeste beslissingen bleven bij de minister of de Koning. Zo had de gouverneur bij geschillen over uitleg en toepassing van belastingwetten en bij verzoeken om vrijstelling of vermindering van belasting veelal een adviserende stem en besliste Den Haag. Ook de benoeming van de meeste belastingambtenaren hield de centrale overheid aan zichzelf. Met ingang van 1 januari 1844 (daadwerkelijk 1 mei) werd de taak van de gouverneur inzake de rijksbelastingen beëindigd. De provinciale inspecteurs werden opgevolgd door arrondissementsdirecteuren voor de directe en indirecte belastingen, die weer direct onder het ministerie van financiën kwamen te ressorteren *  .
Tegen belastingaanslagen kon beroep worden aangetekend bij G.S., die dan weer een advies vroegen aan de gouverneur. De uiteindelijke beslissing werd wel door G.S. genomen. Deze regeling hield stand tot 1892, toen er een ingrijpende wijziging van het fiscaal stelsel plaats vond. Geschillen over de belastingaanslagen werden vanaf dat jaar beslecht door de nieuw ingestelde raden van beroep. In 1905 werden in de provinciale wet enige nieuwe regels ingelast ten aanzien van de provinciale belastingen. Er werd een opsomming gegeven van de belastingen die de staten konden heffen. Dit waren in hoofdzaak opcenten op de hoofdsom van de rijksbelastingen. Bij de heffing van de belastingen waren allerlei beperkingen aan de staten opgelegd *  .
2.3.4.2. Gemeenten
Bij S.B. van 23 december 1813 (Staatsblad nr. 15) is een "Reglement op het heffen van stedelijke en plaatselijke belastingen" vastgesteld *  . Volgens de grondwet van 1814 waren de gemeentelijke belastingen onderworpen aan de goedkeuring van P.S.. De grondwet van 1815 voegde daar de goedkeuring van de Koning aan toe. Volgens de provinciale wet moesten G.S. de besluiten van gemeentebesturen betreffende plaatselijke belastingen goedkeuren. Als belangrijkste middel van inkomsten voor de gemeenten fungeerden de 5 opcenten op de hoofdsom van de grondbelasting en de personele belasting (beide door het rijk geïnd), zo nodig aangevuld met accijnzen en opcenten op andere rijksbelastingen.
Ook mochten retributies zoals poort-, haven- en sluisgelden worden geheven. Gemeenten met minder dan 2000 inwoners konden personele (of hoofdelijke) omslagen heffen, waartoe kohieren moesten worden opgesteld. De kohieren en ook de reglementen moesten ter goedkeuring naar G.S. worden opgestuurd. Reclamaties tegen heffingen werden deels door gouverneur en G.S. behandeld, deels door de Koning of minister. Bij wet van 7 juli 1865 (Staatsblad nr. 79) werd de heffing van gemeentelijke accijnzen op verbruiksgoederen verboden. Daarvoor in de plaats kregen de gemeenten 4/5 deel van de opbrengst van de personele belasting en de nodige opcenten op de grondbelasting. In 1897 kregen de gemeenten bovendien de mogelijkheid belasting te heffen op gebouwde eigendommen aan openbare wegen of in bepaalde wijken. Deze heffing was vooral bedoeld voor aanleg en onderhoud van wegen en riolering.
2.3.5. Openbare orde en veiligheid
De handhaving van orde en veiligheid was in het bijzonder aan de gouverneur opgedragen. Artikel 29 van zijn instructie (van 1820) machtigde hem zonodig de marechaussee en de schutterijen in te zetten, zo mogelijk in overleg met de plaatselijke besturen. In geval van ernstig oproer kon hij ook een beroep doen op het staande leger, na een schriftelijke vordering bij de hoogste militaire commandant in de provincie. In plattelandsgemeenten werden de veldwachters door hem benoemd. Over bijzondere voorvallen, zoals rampen, besmettelijke ziekten en misdaden, dienden de plaatselijke besturen hem onmiddellijk te informeren. In 1850 werden belangrijke bepalingen uit de instructie van 1820 geschrapt. De formele betrokkenheid van de commissaris werd ingeperkt, zijn bemoeienis diende in het vervolg meer van afstandelijke aard te zijn *  .
Zo had hij niet meer het algemene toezicht op de handhaving van wetten, verordeningen en reglementen in de provincie. Tevens kwam zijn persoonlijke verantwoordelijkheid voor de handhaving en uitvoering van het overheidsbeleid te vervallen. Nu werd hem opgedragen de bevelen afkomstig van de Koning of ministers "stiptelijk" na te leven (artikel 16). De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de wetten en verordeningen werd bij het provinciaal bestuur gelegd. De commissaris had nog wel het toezicht op de "ambtsbetrachting van alle in de provincie aanwezige burgerlijke rijksambtenaren en bedienden" en de algemene plicht om in de uitvoering van het beleid te voorzien, wanneer het provinciaal bestuur of een gemeentebestuur daarin tekortschoot.
Met betrekking tot de autonome bestuurstaken van de provincie kreeg de commissaris expliciet het toezicht opgedragen. Bij de ordehandhaving in engere zin bleef de commissaris uitdrukkelijk betrokken. De burgemeesters kregen echter het primaat op het terrein van de openbare orde. Zij werden belast met de handhaving van de orde binnen de grenzen van de gemeente. De burgemeesters moesten de commissaris wel dadelijk op de hoogte brengen van hun verrichtingen op dit vlak. De commissaris had de mogelijkheid om eventuele noodverordeningen te schorsen. Aldus veranderde de aard van de functie van de commissaris. Dat blijkt bijvoorbeeld uit zijn handelingen bij stakingen. Werd hij eerder ingeschakeld om deze desnoods met geweld te breken, in 1888 nam commissaris Geertsema het initiatief tot oprichting van een "Fabrikanten vereeniging ter voorkoming van werkstakingen" in Enschede, naar aanleiding van een staking in de Twentse textielindustrie. Deze vereniging had tot doel de arbeidsonrust te bestrijden en de geschillen tussen werkgevers en werklieden uit de weg te ruimen *  .
2.3.6. Waterstaat
De grondwet van 1815 (artikelen 150 en 219) bood de provincie de mogelijkheid openbare werken in beheer te krijgen en eigen werken aan te leggen en te onderhouden. Bij K.B. van 17 december 1819 werd de overdracht van enige met name genoemde werken aan P.S. geregeld. In Overijssel kwamen voortaan de Willemsvaart en de havenwerken van Blokzijl in onderhoud en beheer bij de provincie. Bovendien bleven de werken die altijd al als provinciaal waren beschouwd bij de provincie. Bij K.B. van 9 april 1820 werden de wegen aan de provincie overgedragen. De grondwet van 1848 maakte een einde aan de bevoogding van de provincie door het rijk inzake de waterstaat. Het provinciaal bestuur kreeg nu toezicht over alle waterstaatswerken binnen de provincie. De mogelijkheid werd hiermee geopend om een provinciale dienst van waterstaat op te richten. In Overijssel bleef het werk van de waterstaat tot 1882 in handen van rijksambtenaren. Met ingang van 1 januari van dat jaar werd "De provinciale waterstaat in Overijssel" ingesteld, met ingenieur A. Déking Dura aan het hoofd *  .
2.3.7. Verkeer en vervoer
Verzoeken voor het openen van beurt- en veerdiensten en postwagendiensten, om heffing van havengelden, jaaggelden, tolgelden en andere retributies moesten aan G.S. worden voorgelegd, die in deze een beslissende of adviserende stem hadden.
2.3.8. Landbouw, veeteelt, jacht en visserij
Ten aanzien van de landbouw en de veeteelt wilde de overheid weinig sturing geven. In de eerste helft van de negentiende eeuw werd van overheidswege de verbetering van de landbouwtechnieken nog wel bevorderd door middel van de provinciale commissies van landbouw. Deze dateerden van 1805, toen in elk departement van de Bataafse Republiek een dergelijke commissie ingesteld moest worden. In Overijssel bestond de commissie uit twaalf leden. Bij K.B. van 7 september 1814 werden de bestaande commissies van landbouw bevestigd. Zij moesten nauw samenwerken met het provinciaal bestuur, dat volgens de grondwet van 1814 zorg moest dragen voor de uitvoering van wetten en reglementen inzake de aanmoediging van de landbouw (artikel 86).
In 1818 werden de taken en bevoegdheden van de commissies opnieuw beschreven (K.B. van 28 juni 1818, Staatsblad 906-911). De commissieleden werden door de Koning benoemd en zij moesten advies uitbrengen aan de minister, aan G.S. en aan de gouverneur over de staat van de landbouw in de provincie en over de opbrengst van de oogsten. Tevens moesten zij zich op de hoogte houden van de uitvindingen en ontwikkelingen op agrarisch gebied en deze zoveel mogelijk onder de aandacht van de boeren brengen. De gegevens die zij inleverden werden verwerkt in een jaarlijks gepubliceerd verslag over de staat van de landbouw in Nederland.
In 1850 besloot de regering echter, onder invloed van de idealen van het liberalisme, de commissies van landbouw op te heffen. In 1851 werd daarom de Overijsselse commissie opgeheven *  . De zorg voor de landbouwbelangen werd nu overgelaten aan het particulier initiatief. De in 1897 opgerichte Overijsselsche Landbouw Maatschappij zou daarbij een belangrijke rol gaan spelen. Ten aanzien van de jacht en de visserij was het toezicht geregeld in de jachtwet van 1814. Hierin werden geen taken toebedeeld aan het provinciaal bestuur. Dat gebeurde evenmin bij de jachtwet van 1852 (herzien in 1857) en bij de jachtwet van 1923.
2.3.9. Economische zaken
Op het gebied van de handel had de gouverneur bemoeienis met de prijzen van levensmiddelen. Zo was er van 1823 tot 1844 een provinciale broodzetting van kracht waarbij de gouverneur, rekening houdend met het prijsverloop van granen en andere produkten, enkele malen per jaar de prijs wijzigde. Vanaf 1844 werd de broodzetting weer een zaak voor de plaatselijke besturen, zoals dat ook vóór 1823 al het geval was. De gouverneur verstrekte vergunningen voor de oprichting van zogenaamde neringen en tapperijen, die goederen verkochten waarop accijns werd geheven. Aanvragen voor vergunningen voor markten moesten aan G.S. worden gericht, al besliste de centrale overheid over de verstrekking. Ook oefenden G.S. een algemeen toezicht uit op het ijkwezen.
Vergunningen voor de oprichting van fabrieken of voor ingrijpende wijzigingen in de inrichting ervan, werden door de Koning afgegeven (met name bij gevaarlijke produkten als gas, buskruit en wapens), of door G.S. en de lokale autoriteiten. Omwonenden of andere belanghebbenden konden bezwaren indienen bij de beslissende instantie; reclamaties bij negatieve beschikkingen moesten door een hogere autoriteit worden behandeld. Zo behandelden G.S. het administratief beroep tegen beschikkingen van gemeentebesturen. Een zelfde regeling gold voor de bouw van industriemolens *  .
Voor de plaatsing van stoomwerktuigen, zowel in fabrieken als op vaartuigen, moest aangifte worden gedaan bij de gouverneur, waarna het ministerie de benodigde vergunning via de gouverneur aan de belanghebbende verstrekte *  . Ook bij subsidieaanvragen van bedrijven fungeerde de gouverneur als "doorgeefluik" tussen de plaatselijke besturen en het ministerie. Verder hadden P.S. de bevoegdheid om door het stichten van provinciale bedrijven de ingezetenen van de provincie op doelmatige wijze te voorzien van drinkwater en elektriciteit. Omdat het provinciaal bestuur een algemene verplichting had tot bevordering van de welvaart, had men tevens bemoeienis met de keuring van waren en de bevordering van de werkgelegenheid.
2.3.10. Maatschappelijke zorg
De aandacht van het provinciaal bestuur was oorspronkelijk met name gericht op de armenzorg, maar breidde zich tegen het einde van de negentiende eeuw geleidelijk uit tot steeds meer groepen die zorg behoeven, zoals uitgestotenen, bejaarden en jeugdigen. Op het gebied van de armenzorg oefenden zowel de gouverneur als G.S. toezicht uit op de plaatsing van behoeftigen in armenhuizen of in de koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid en op de algemene toestand bij instellingen van armenzorg. Geschillen tussen gemeenten en armbesturen of tussen gemeenten onderling over de uitkeringsplicht aan behoeftigen werden door G.S. beslist. Bij besturen uit verschillende provincies besliste de Koning. De benoeming van leden van armbesturen behoefde de goedkeuring van G.S. Ook veel handelingen van armbesturen stonden onder toezicht van dit college. Zo konden verkoop en verpachting van bezittingen (armengoederen) niet zonder toestemming van G.S. plaats vinden. Over aankoop besliste de Koning na advies van G.S.. Begrotingen en rekeningen moesten ter goedkeuring naar G.S. worden opgestuurd en de besturen konden alleen met machtiging van G.S. gerechtelijke procedures aanspannen.
De activiteiten van de provincie ten aanzien van de overige terreinen van maatschappelijke zorg bestonden eveneens voornamelijk uit het uitoefenen van toezicht door G.S. op de handelingen van de gemeentebesturen. Daarnaast stelden P.S. subsidieregelingen vast ten behoeve van verschillende instellingen en activiteiten op deze terreinen. De uitvoering daarvan werd aan G.S. overgelaten *  . P.S. waren verplicht tot zorg voor voldoende plaatsruimte ter verpleging van krankzinnigen. In de praktijk betekende dit dat provinciale gestichten werden opgericht en men zich de zorg aantrok voor de zieken. De toezichthoudende taak met betrekking tot de gezondheidszorg werd primair uitgeoefend door de provinciale commissie van geneeskundig onderzoek en toevoorzicht, in sommige steden bijgestaan door plaatselijke commissies. De provinciale commissie rapporteerde regelmatig aan G.S. en deed voorstellen, onder andere voor het ontwerpen van verordeningen op dit terrein. G.S. adviseerden de Koning bij benoemingen van leden van de commissie.
Voor de aanstelling van artsen en vroedvrouwen in gemeentedienst, het uitvaardigen van plaatselijke geneeskundige verordeningen en de aanleg en het onderhoud van begraafplaatsen was goedkeuring van G.S. nodig. De gouverneur was als intermediair tussen centrale overheid, provinciale commissie en derden betrokken bij kwesties als oprichting van ziekenhuizen, afleggen van geneeskundige examens e.d. Van later datum stammen de voorschriften, waarbij G.S. goedkeuring moesten verlenen aan gemeentelijke verordeningen ingevolge de warenwet, de vleeskeuringswet, de destructiewet en de wet bestrijding infectieziekten en opsporing ziekteoorzaken. Verder kwam de provinciale bijdrage aan de geestelijke en lichamelijke gezondheidszorg steeds meer tot uitdrukking in het verstrekken van subsidies aan allerlei instellingen en organisaties op dit terrein *  .
2.3.11. Onderwijs
In elke provincie fungeerde een provinciale commissie van onderwijs, die toezicht uitoefende op het lager en middelbaar onderwijs. Van 1821 tot 1842 was de gouverneur voorzitter van de commissie. De leden, allen schoolopzieners, werden (vanaf 1830) op advies van G.S. benoemd. Vanaf 1842 ging het meer algemene toezicht van de gouverneur over op het college van G.S. Toen werd ook een lid van G.S. voorzitter van de commissie. In plattelandsgemeenten was toestemming van G.S. vereist voor de oprichting van scholen (in de steden konden de stadsbesturen zelf beslissen). Voor bouw en onderhoud en aan- en verkoop van schoolgebouwen en onderwijzerswoningen moesten de plaatselijke besturen toestemming hebben van G.S., die ook beslisten over plaatselijke schoolreglementen. Als beroepsinstantie namen G.S. beslissingen inzake schoolgelden, personeel, gebouwen, schoolstichtingen e.d..
De lager onderwijswet van 1857 had enkele wijzigingen in de organisatie van het toezicht tot gevolg. In iedere provincie werd een provinciale inspecteur aangesteld, die jaarlijks verslag moest uitbrengen aan de minister van binnenlandse zaken. De informatie hiervoor werd verzameld door de provinciale schoolcommissie, die bestond uit schoolopzieners die ieder een district controleerden. Zij bezochten tweemaal per jaar alle scholen in hun district en brachten daarover jaarlijks verslag uit aan de inspecteur en aan G.S.. Met de lager onderwijswet van 1878 verviel de functie van provinciale inspecteur weer. De schoolopzieners in de districten vervulden nu zijn taken. Zij waren verantwoording verschuldigd aan de rijksinspecteur voor het onderwijs. De taken van de districtsopzieners werden nu waargenomen door nieuw aangestelde arrondissementsopzieners.
2.3.12. Militaire zaken
Voor de vorming van het Nederlandse leger bleef de reeds in de Franse tijd ingevoerde conscriptie (dienstplicht) in 1814 gehandhaafd. De Nederlandse strijdmacht werd toen gevormd door de landstorm en de landmilitie. De landstorm zou bestaan uit alle weerbare mannen van 17 tot 50 jaar, die konden worden ingezet bij de verdediging van de eigen woonplaats en de directe omgeving. Uit de landstorm werd de landmilitie geformeerd, waarvoor in principe alle weerbare mannen van 17 tot 45 jaar in aanmerking kwamen. In tegenstelling tot de leden van de landstorm werden die van de landmilitie in kazernes en garnizoenen ondergebracht. De taak van de landmilitie bestond uit het verdedigen van het vaderland en de verdrijving van de vijand, waarbij zij geassisteerd zou worden door de staande armee, gevormd door beroepsmilitairen *  .
De commissarissen-generaal, later de gouverneur waren ambtshalve generaal van de landstorm in het hele departement, terwijl de commissarissen in hun arrondissementen ambtshalve kolonel waren *  . De commissarissen hadden de zorg voor de goede organisatie van en de loting en de keuring voor de landstorm en de landmilitie in hun arrondissement. Zij werden hierin elk bijgestaan door een officier, die met de uitvoering belast werd. De commissarissen-generaal, later de gouverneur werden ten behoeve van de organisatie van de landstorm in het hele departement bijgestaan door een luitenant-kolonel *  .
In de loop van 1815 werden de werkzaamheden van de commissarissen met betrekking tot de landstorm door de militiecommissarissen van de districten Deventer en Coevorden overgenomen. Met het staande leger had het provinciaal bestuur toen vrijwel geen bemoeienis meer, maar nog wel met de nationale militie en de schutterijen. Zij dienden als ondersteuning van het leger, terwijl de schutterij ook bij ordeverstoring kon worden ingezet. De militiewet van 1817 handhaafde voor de nationale militie de dienstplicht via loting *  . Tegen uitspraken van de militieraden inzake verzoeken om vrijstelling of plaatsvervanging kon men in beroep gaan bij G.S.. Zij oordeelden verder over de gegrondheid van de redenen van niet-opkomen van "miliciens" *  .
Gevallen van desertie moesten aan de gouverneur worden gemeld. De begrotingen en rekeningen van de schutterijen moesten door G.S. worden goedgekeurd, evenals de bijdragen van de plaatselijke besturen aan de schutterij. Tevens beslisten G.S. over beroepen tegen besluiten van lokale commissies over vrijstelling of uitsluiting en tegen vonnissen van de schuttersraden. De officieren van de schutterijen werden op advies van de gouverneur door de Koning benoemd. Tenslotte was toestemming van of kennisgeving aan de gouverneur vereist bij zaken als vervoer van buskruit, aanvragen om ammunitie en verplaatsing van garnizoenen. In 1861 werd een nieuwe militiewet van kracht, die ten aanzien van de hier genoemde zaken geen wezenlijke veranderingen inhield. Deze wet bleef in grote lijnen gehandhaafd tot het einde van de negentiende eeuw. Een belangrijke wijziging vond plaats in 1898 toen de mogelijkheid tot plaatsvervanging werd afgeschaft. Bij de wijziging van de militiewet in 1901 werd de algemene dienstplicht ingevoerd. Tevens werd in dat jaar het systeem van de lokale schutterijen opgeheven.
2.3.13. Justitie
In Overijssel fungeerden van 1811-1838 een hof van assisen en drie rechtbanken van eerste aanleg, te weten te Almelo, Deventer en Zwolle. Daarnaast was er nog een veertiental vrede- en politiegerechten. In 1838 werd het hof van assisen vervangen door een provinciaal gerechtshof, de rechtbanken van eerste aanleg door arrondissementsrechtbanken en de vredegerechten door kantongerechten. De volgende grote wijziging deed zich voor in 1876, toen de provinciale gerechtshoven werden opgeheven. Er werden nu vijf regionale gerechtshoven ingesteld. Overijssel behoorde daarna tot het rechtsgebied van het gerechtshof te Arnhem. Ook het aantal arrondissements- en kantongerechten werd bij deze gelegenheid gewijzigd. Zo werd de arrondissementsrechtbank te Deventer opgeheven, evenals een vijftal kantongerechten. Bepaalde justitiekosten werden uit provinciale fondsen betaald. In gevallen waarin plaatselijke besturen wegens administratieve handelingen voor de rechter werden gedaagd, kon de gouverneur (tussen 1822 en 1844) deze zaken aan de rechtbanken onttrekken, na advies van G.S. G.S. hadden in het tijdvak 1814-1819 rechtsmacht op het gebied van het fiscaal strafrecht.
Zo fungeerden zij als beroepsinstantie tegen sancties door belastingambtenaren. Voor de zwaardere fiscale delicten werd een echte strafprocedure noodzakelijk geacht, waarbij G.S. optraden als strafrechter in eerste aanleg. Daarnaast kon men bij G.S. terecht voor derdenverzet in geval van parate executie *  . Volgens zijn instructie (artikel 25) had de gouverneur een zeker toezicht op de gevangenissen. In de praktijk fungeerde hij als intermediair tussen het betrokken ministerie en de gevangenisbesturen over zaken als de verzorging van gedetineerden, benoeming en ontslag van personeel, bevoorrading van gevangenissen, etc.. Over onderhoudswerkzaamheden aan gevangenissen, voorzover ten laste komend van de provincie, beslisten G.S.
2.3.14. Kerkelijke zaken
Een groot deel van de financiële handelingen van kerkgenootschappen stond onder toezicht van het college van G.S.. Zo was goedkeuring of advies nodig bij zaken als aan- en verkoop van goederen, bouw en onderhoud van kerkgebouwen, aangaan van geldleningen en sluiten van rekeningen. Wat de Hervormde Kerk betreft gold het provinciale reglement op de administratie der kerkelijke fondsen, waarbij een provinciaal college onder voorzitterschap van de gouverneur namens de Koning het toezicht uitoefende op het beheer van kerkelijke goederen. Ook twee leden van G.S. hadden zitting in het college *  . Als intermediair tussen de departementen van eredienst en de verschillende kerkgenootschappen had de gouverneur voorts bemoeienis met de beroeping van predikanten, de benoeming van leden van kerkbesturen e.d.. Ten gevolge van de in de negentiende en twintigste eeuw geleidelijk aan doorgevoerde scheiding tussen kerk en staat werd de bemoeienis van het provinciaal bestuur met de verschillende kerkgenootschappen steeds minder.
3. De organisatie van de rijksbelastingen in Overijssel 1811-1825
3.1. Directe belastingen
Tot de directe belastingen werden gerekend de grondbelasting, de personele belasting en het patentrecht *  . Het beheer en de invordering hiervan behoorden na 1813 tot de competentie van de minister van financiën. Aan het hoofd van de directe belastingen in de provincie Overijssel stond een directeur met als standplaats Zwolle. Hij moest toezicht houden op de juiste uitvoering van de belastingwetten en was tevens eindverantwoordelijke voor de inning van de gelden in Overijssel.
In het toezicht werd hij bijgestaan door één inspecteur. Onder hem stonden controleurs, ieder aan het hoofd van een controle. Overijssel was verdeeld in zes controles, te weten Almelo, Delden, Deventer, Ommen, Vollenhove en Zwolle. De controleurs hielden administratie over de hoogte van de in te vorderen belastingen en oefenden toezicht uit op de ontvangers, die op hun beurt de leiding hadden over de ontvangerskantoren. De ontvangers zorgden voor de inning van de gelden in de gemeenten onder hun ressort. Boven de plaatselijke ontvangers stonden drie ontvangers-particulier, in elk arrondissement één. De ontvanger-particulier van het arrondissement Zwolle had tevens de functie van ontvanger-generaal. Deze was op zijn beurt weer verantwoording schuldig aan de directeur.
Met ingang van 1 juli 1819 vielen ook een aantal indirecte belastingen onder de directeur der directe belastingen. Bij K.B. van 21 december 1820 werd een departement der ontvangsten ingesteld met aan het hoofd een minister van staat. Een zogenaamde raad van administratie stond hem bij in zijn werkzaamheden. Deze raad bestond uit vijf administrateurs en vijf inspecteurs. Het nieuwe departement hield zich bezig met de directe belastingen, de in- en uitgaande rechten, de watertollen, de accijnzen, de registratie-, zegel-, griffie-, hypotheek- en successierechten, de domeinen, het kadaster en de posterijen. Bij K.B. van 30 maart 1824 werd de minister van financiën op persoonlijke titel hoofd van dit departement, geassisteerd door een raad van ontvangsten, totdat bij K.B. van 9 september 1831 het departement der ontvangsten geheel opging in het ministerie van financiën.
Op provinciaal niveau vond met ingang van 1 januari 1824 een belangrijke wijziging in de organisatie plaats. Alles wat binnen de provincie te maken had met de inning of de administratie van de rijksmiddelen, zowel inkomsten als uitgaven, kwam voortaan onder het toezicht van de gouverneur te staan. Hij werd hierbij geassisteerd door de zogenaamde raad van de gouverneur. Met ingang van 15 december 1822 werd de directie van de directe belastingen in Overijssel verenigd met de directie van de in- en uitgaande rechten en accijnzen. Aan het hoofd stond voortaan één directeur met als standplaats Zwolle. Hield de gouverneur voorlopig nog alleen toezicht, met ingang van 1 januari 1826 ressorteerde de dienst rechtstreeks onder de gouverneur en werd de afdeling directe belastingen, later de Tweede afdelig van de griffie. Tegelijkertijd werd het kadaster losgemaakt van deze afdeling en tot de afdeling kadaster, later Vierde afdeling. De zittende directeur werd vervangen door een provinciale inspecteur; ook het kadaster kreeg een eigen provinciale inspecteur.
In de periode 1811 - 1825 waren achtereenvolgens de volgende functionarissen in Overijssel werkzaam: directeur des contributions directes et du cadastre in het département des Bouches de l'Issel, 1811 nov 9 - 1813 nov 12; directeur der directe belastingen in de provincie Overijssel, 1813 nov 27 - 1822 dec 14; directeur der directe belastingen, in- en uitgaande rechten en accijnzen in Overijssel, 1822 dec 15 - 1825 dec 31.
3.2. Indirecte belastingen
Onder de indirecte belastingen vielen de accijnzen, de in-, uit- en doorvoerrechten en het tonnengeld, de successierechten, de belasting op nalatenschappen en de registratie-, zegel-, griffie- en hypotheekrechten *  . De inning hiervan was bij K.B. van 23 februari 1815 toevertrouwd aan een afzonderlijk departement van de indirecte belastingen onder leiding van een directeur-generaal. In 1819 werd de naam hiervan veranderd in departement voor de in- en uitgaande rechten en accijnzen. Met de leiding over de indirecte belastingen in de provincie Overijssel was een directeur belast met als standplaats Zwolle. Hij moest naast het houden van toezicht op de zetting zorg dragen voor de inning van de belastingen. Voor het toezicht beschikte hij over een inspecteur als assistent, die toezicht hield op de arrondissementsinspecteurs der indirecte belastingen. Hun belangrijkste taak was het op hun beurt toezicht houden op de controleurs in de arrondissementen. Onderaan de piramide stonden degenen die de belastinggelden van de burgerij daadwerkelijk inden op aanwijzingen van de controleurs: de ontvangers, roeiers, proevers, tellers, wegers, meters, taxateurs en de ijkers van de maten.
De organisatie van de ontvangsten was gelijk aan die van de directe belastingen. Het laagste niveau vormden de verschillende ontvangerskantoren. Meestal deden deze dienst voor een klein aantal gemeenten gezamenlijk. Deze kantoren ressorteerden onder één van de drie arrondissementsontvangers, die weer verantwoording verschuldigd waren aan de provinciale ontvanger. Met ingang van 1 juli 1819 gingen een aantal indirecte belastingen over naar de directeur van de directe belastingen. Alleen de in- en uitgaande rechten en accijnzen vielen nog onder de oude directeur die toen de titel kreeg directeur der in- en uitgaande rechten en accijnzen. Met ingang van 15 december 1822 werd de directie van de in- en uitgaande rechten en accijnzen samengevoegd met de directie van de directe belastingen.
In de periode 1813 - 1822 waren achtereenvolgens de volgende functionarissen in Overijssel werkzaam: directeur der indirecte belastingen, in- en uitgaande rechten en accijnzen in de provincie Overijssel, 1813 dec 30 - 1819 jun 30; directeur der in- en uitgaande rechten en accijnzen in Overijssel, 1819 jul 1 - 1822 dec 14.
3.3. Registratie
Van 1815 tot 1819 was het departement der indirecte belastingen ook belast met het beheer over de registratie-, zegel-, griffie-, hypotheek- en successierechten *  . Daartoe had de directeur-generaal van dit departement in iedere provincie de beschikking over een directeur. In Overijssel zetelde deze in Zwolle. Onder hem fungeerden een inspecteur der registratie en domeinen en twee verificateurs der registratie. Verder waren er in de provincie negen kantoren van de ontvangers der registratie. Het kantoor in Almelo was tevens hypotheekkantoor; in Zwolle was er een apart hypotheekkantoor. Bovendien werkten in Zwolle ten behoeve van de gehele provincie een magazijnmeester-controleur van het zegel en een zegelklopper. In 1819 werden de registratie- en andere rechten afgescheiden van het departement der indirecte belastingen en ondergebracht bij het ministerie van financiën. De regering voegde het beheer over de registratie-, zegel-, griffie-, hypotheek- en successierechten samen met dat over de staatsdomeinen. Beide vormden een onderdeel van het departement van de in- en uitgaande rechten en accijnzen (1820-1821) en later van het departement van ontvangsten (vanaf 1821).
De dienst belast met de registratie en domeinen in Overijssel bestond uit een directeur en een inspecteur. Bovendien waren er twee verificateurs tweede klasse der registratie. Daarnaast waren er binnen de provincie werkzaam een magazijnmeester-controleur, een zegelklopper en drie hypotheekbewaarders (in Almelo en Deventer uitgeoefend door de ontvangers der registratie, in Zwolle afzonderlijk). Verder waren er negen kantoren van de ontvangers der registratie. In 1823 werd het beheer over de domeinen afgescheiden van de dienst voor de registratie-, zegel-, griffie-, hypotheek- en successierechten en in 1824 kwam de dienst onder het toezicht van de gouverneur. Hield de gouverneur voorlopig nog alleen toezicht, met ingang van 1 maart 1825 ressorteerde de dienst rechtsstreeks onder de gouverneur en werd de afdeling registratie, later de Derde afdeling van de griffie, De zittende directeur werd vervangen door een provinciale inspecteur. De oorspronkelijke inspecteur werd vervangen door een verificateur eerste klasse. Aan de verdere organisatie veranderde weinig.
In de periode 1814 - 1824 waren achtereenvolgens de volgende functionarissen in Overijssel werkzaam: directeur der registratie in de provincie Overijssel, 1814-1818; directeur der registratie en domeinen in Overijssel, 1819-1823; directeur der registratie in Overijssel, 1823- 1825.
4. Vorming en geschiedenis van de archieven
4.1. Bureauorganisatie
4.1.1. Periode 1813-1831 maart
Toen de commissarissen-generaal in december 1813 aantraden, waren zij geschokt over de wanordelijke administratie die zij aantroffen. In een brief van 21 december aan de commissaris-generaal van binnenlandse zaken klaagden zij over het "embarras, 't welk deze opeenstapeling van stukken in de eerste ogenblikken komt te wege te brengen, en de vertraging die deze verachtering van afdoening (...) moet veroorzaken" *  . Als belangrijkste oorzaak van de wanorde zagen de commissarissen het feit dat in korte tijd het aantal ambtenaren ter griffie van negentien naar zeven was gezakt. Dat was te weinig om de werkzaamheden naar behoren te verrichten, "laat staan de wanorde van het archief (...) naar behoren te herstellen". Kenmerkend voor de chaotische periode na het vertrek der Fransen was het feit dat tegelijkertijd het ministerie van binnenlandse zaken alles in het werk stelde om een koffer met papieren terug te krijgen.
Deze was door de prefect bij de nadering van de geallieerde troepen naar Amsterdam gezonden. Dit gelukte in januari 1814 *  . De reorganisatie van de provinciale griffie kwam ook in januari tot stand. Na advies van de secretaris-generaal werd besloten dat het secretariaat voortaan uit twee divisies zou bestaan, nl. 1 politie, generale administratie en waterstaat, en 2 financiën. In iedere divisie werden geplaatst een chef de divisie, een chef de bureau of eerste commies, een tweede commies en vier klerken. Daarnaast werd er een commies-expediteur aangesteld. Tot chefs van de twee divisies werden benoemd R.S. van der Gronden en G.A. Razoux. Naast de genoemde personele bezetting werden nog twee loopjongens, twee bodes en een vuurstoker aangesteld *  .
Al snel bleek de bureauorganisatie te bekrompen van opzet. Met name door de vele werkzaamheden verband houdende met de landstorm en landmilitie dreigden er grote achterstanden te ontstaan. De ambtenaren dienden dikwijls ook 's zondags door te werken om de achterstanden niet al te ver te laten oplopen. In een brief van 24 januari 1814 spraken de commissarissen-generaal openlijk hun twijfel uit over de vraag of het aantal ambtenaren op den duur voldoende zou blijken "inzonderheid zoo wanneer de organisatie van de landstorm en landmilitie welke wij niet anders als straks voorbijgaande inrigtingen beschouwd hebben, maar voortgaande en duurzame werkzaamheden zouden te wege brengen, zoo als wij nu van achteren beginnen te bespeuren, waarom dan een derde divisie voor de militaire zaken bij de bureaux, evenals te voren onmisbaar zoude worden, buiten en behalven dat het noodwendig in order brengen van het archief, zoodra een bekwaam locaal voor het zelve te plaatzen (waarover meermalen aanvragen gedaan zijn), zal bestemd wezen, nog weder buitengewone werkzaamheden zal veroorzaken, dewelke ten minsten twee personen voor een geruime tijd afzonderlijk bezet zullen houden" *  .
Dat de twijfel gegrond was blijkt wel uit een ongedateerde "Nota van agterstallige werkzaamheden" van de derde divisie [1819] *  , waarin melding wordt gemaakt van het feit dat de griffie nauwelijks was opgewassen tegen de nieuwe administratieve taken voortvloeiend uit de militiewet. Zo moest men nog in 1819 de notulen van de gouverneur betreffende militiezaken van 1817 en 1818 afschrijven (2400 nummers), alsmede de betreffende notulen van G.S. (140 nummers).
In 1819 werd er eindelijk een derde divisie, van militaire zaken, opgericht. Dat geschiedde op 1 juli, ingevolge een kabinetsorder van de dag ervoor. Deze reorganisatie van het bureau kwam echter geruime tijd na de vorming van een apart divisiearchief voor militaire zaken. Dat was het gevolg geweest van de invoering van de "Wet omtrent de inrigting van de nationale militie" *  van 8 januari 1817, Staatsblad 1. Deze bracht zeer veel extra werk voor de eerste divisie met zich mee, zodat splitsing noodzakelijk werd *  .
Vanaf 22 februari 1817 werd daarom een apart verbaal voor militaire zaken ingericht, terwijl een afzonderlijke agenda voor het eerst op 8 april verschijnt. Overigens waren ook bij de twee andere divisies de achterstanden in de administratie rond 1819 ernstig opgelopen. Algemene oorzaak lijkt te zijn het feit dat het aantal ambtenaren zowel als de organisatie van de griffie na 1817 niet tijdig werden aangepast aan de sterke vermeerdering van het aantal taken. De ambtenaren van de verschillende afdelingen ordenden hun archief volgens dezelfde methode, te weten het verbaalstelsel. Deze werkwijze was reeds op 3 februari 1814 vastgesteld door de commissarissen-generaal in een instructie voor de chefs van de twee divisies van de griffie *  . Deze instructie diende ook als basis voor de provinciale administratie toen B.H. baron Bentinck tot Buckhorst op 11 mei 1814 aantrad als eerste gouverneur van de provincie Overijssel.
Volgens het verbaalstelsel worden de individuele archiefbescheiden gegroepeerd tot series, waarbij ofwel aan ieder minuutbesluit de bijlagen zijn toegevoegd, ofwel van de bijlagen een aparte serie wordt gevormd naast de serie verbalen. Beide varianten zijn toegepast op de griffie in de periode 1814-1831. Bij de "aanwijzingen voor het gebruik" zijn hierover meer bijzonderheden te vinden. De eerste variant wordt ook toegepast bij het verbaalstelsel 1823, dat zo genoemd wordt omdat het in dat jaar verplicht werd gesteld voor de rijksoverheid. Daarnaast moesten alle stukken volgens dit stelsel tot één chronologische serie worden gevormd. Met de verplichting tot gebruik van dit stelsel werd beoogd tot een uniforme registratuur te komen bij de rijksdiensten. Kort daarna werd dit stelsel ook van toepassing verklaard op de bureaus van de gouverneurs in de provincie *  .
Er zou bij elk provinciaal gouvernement slechts één bureau van expeditie, één archief en één index worden ingevoerd. Dit stelsel bleek echter in Overijssel slecht te bevallen en heeft het op de provinciale griffie slechts enkele maanden uitgehouden. De werkwijze met de verdeling in divisies functioneerde - afgezien van problemen veroorzaakt door geringe personeelssterkte - al jaren naar redelijke tevredenheid en men zag het nut van het nieuwe stelsel niet in. Men paste het immers binnen de divisies al toe, wat zou de afschaffing van de divisies daaraan kunnen toevoegen? Al op 11 maart 1824 kreeg de gouverneur bij K.B. toestemming zijn administratie opnieuw als vanouds in te richten, hetwelk hij bij kabinetsorder van 30 maart onmiddellijk deed.
Toen de gouverneur in 1824 het toezicht kreeg over de inning van de rijksbelastingen, had dit ook gevolgen voor het archief. In zijn jaarlijkse verslag aan P.S. van 5 juli 1825 meldde hij: "Nadat het locaal der provinciale bureaux vergroot is geworden heeft in dezen jare de vereeniging der bureaux tot de directie van 's rijks middelen behorende (registratie, directe belastingen, in- en uitgaande regten en accijnsen) met die van het provinciale gouvernement plaats gehad". Vanaf 1 maart 1825 fungeerde de afdeling registratie; vanaf 1 januari 1826 de afdeling directe belastingen en de afdeling kadaster. De eerste twee behielden hun oude archiefordeningssysteem dat verschilde van het ter griffie vigerende verbaalstelsel *  .
Doordat de lopende werkzaamheden gewoon doorgingen en bestaande "dossiers" niet per 28 februari 1825 of 1 januari 1826 werden afgesloten, dient de onderzoeker er op bedacht te zijn dat ook stukken van voor 1825/6 in deze afdelingsarchieven terecht kunnen zijn gekomen. Bij de afdeling kadaster werd wel het verbaalstelsel toegepast. De onder de opeenvolgende directeuren der directe belastingen sedert 1816 gevormde administratie met betrekking tot het kadaster is niet bewaard gebleven.
4.1.2. Periode 1831 april-1948
Bij het aantreden van de nieuwe gouverneur graaf van Rechteren aan het einde van 1830 trof deze het provinciale bureau aan in een staat die hem niet beviel. Zo constateerde hij al snel dat verschillende ambtenaren zich inlieten met het schrijven van rekesten voor particulieren die door de gouverneur of G.S. moesten worden behandeld. Aan deze misstand maakte hij een einde op 28 februari 1831 *  . Ook op de ijver en nauwgezetheid van enkele ambtenaren was veel aan te merken. Zo werden twee commiezen voor een maand geschorst en een derde werd tot bladschrijver gedegradeerd *  .
Veruit de belangrijkste maatregel van de nieuwe gouverneur betrof echter een geheel nieuwe organisatie van de werkzaamheden op de griffie, bij reglement vastgesteld op 15 maart en ingevoerd op 1 april 1831. Op die datum kwam een einde aan de sinds de Franse tijd bestaande indeling in divisies. Sindsdien werden de archieven van G.S. en de gouverneur/commissaris van de Koning (in) zonder nadere onderverdeling gevormd volgens het verbaalstelsel 1823. Deze archiefordening bleef tot en met 1948 van kracht. In 1949 ging men over op de zaaksgewijze ordening volgens de code VNG.
Wel werden bij de gouverneur de stukken van de verschillende rijksbelastingen apart gehouden die echter ook overgingen op het verbaalstelsel. De directe belastingen, in- en uitgaande rechten en accijnzen werd nu de Tweede afdeling genoemd; registratie, zegel, successie en hypotheken de Derde afdeling en het kadaster de Vierde afdeling van het archief van de gouverneur. Deze toestand duurde tot mei 1844, toen deze taken weer naar de rijksadministratie overgingen. Sinds 1 mei 1844 was er dan eindelijk één systeem van archiefordening binnen het "hoofdarchief" van de gouverneur/CdK., zonder dat er rekening werd gehouden met afdelingen *  .
Echter het "kabinetsarchief" van de gouverneur/CdK. bleef gezien de vertrouwelijke aard van de stukken een apart onderdeel. Dat wil echter niet zeggen dat de bureauorganisatie van de griffie sindsdien niet meer is veranderd. De veranderingen in en de uitbreidingen van de taken van het provinciaal bestuur hebben nog vele malen tot aanpassingen geleid. Er zijn wijzigingen geweest in 1850, 1861, 1867, 1877, 1885, 1893, 1917, 1919 en 1920 *  .
Enige onduidelijkheid blijft bestaan over de bureauorganisatie tussen 1859 en 1861. In 1859 werd het provinciaal bureau voor de statistiek opgericht, als uitvloeisel van artikel 162 van de provinciale wet van 1850. Daarin was bepaald dat de provincies verplicht waren om met behulp van statistische gegevens de toestand van hun provincie te leren kennen. Deze gegevens zouden dan verzameld en beheerd moeten worden door provinciale bureaus voor statistiek. Pas in 1858 echter zou de minister van binnenlandse zaken spoed zetten achter de feitelijke oprichting van deze bureaus. In een brief van 8 september 1858 vroeg hij de commissaris van de Koning en G.S. advies inzake de organisatie van een dergelijk bureau *  .
Hij volgde het daarop ingekomen advies, zodat per 1 januari 1859 een provinciaal ambtenaar voor het provinciaal bureau voor statistiek werd aangesteld *  . In 1861 werd besloten tot een reorganisatie van de provinciale griffie. Daarbij werd het bureau van de statistiek alsnog een geïntegreerd deel van de griffie. Dit bureau droeg alleen de verantwoordelijkheid voor de als zodanig door de commissaris aangeduide zuiver statistische staten. De betreffende archivalia dienden volgens de wetgeving afgescheiden te worden van de rest van het provinciale archief. Van 1859 tot 1873 is er dan ook een aparte serie ingekomen en minuten van uitgaande stukken van het bureau voor de statistiek.
4.2. Lotgevallen van de archieven
De archieven van de provisioneel gouverneur, de commissarissen-generaal en de raad voor het commissariaat-generaal bleven na de opheffing van hun functies gewoon ter griffie berusten *  . Voor de archieven van de arrondissementscommissarissen moest echter een regeling worden getroffen. De gouverneur heeft zich, als hun rechtsopvolger, in 1815 veel moeite getroost om deze archieven te verkrijgen.
Dat blijkt bijvoorbeeld uit de brieven die hij op 25 februari 1815 zond aan de commissarissen in de arrondissementen Almelo en Deventer. Daarin deelde hij hen mee dat hun functie met ingang van 28 februari daaropvolgend opgeheven zou worden en verzocht hij hen te zijner tijd de archieven aan hem over te dragen *  . De commissaris van het arrondissement Almelo, F.W. baron Sloet, gaf al snel gehoor aan deze opdracht. Nadat hij het archief in een inventaris in tweevoud had beschreven en in een koffer met twee sloten had verpakt, liet hij het archief met de inventarissen en een begeleidend schrijven op 19 juni 1815 door een koerier naar Zwolle brengen.
De gouverneur zond hem twee dagen later een exemplaar van de door hem getekende inventaris met een bedankbriefje en de koffer terug *  . Deze inventaris is bewaard gebleven, terwijl dat niet het geval is met het voor de gouverneur bestemde exemplaar *  . Daarna zijn nog enige pakken ingekomen brieven uit de jaren 1813-1814, die wél aan de gouverneur overgedragen werden, in de loop van de jaren spoorloos verdwenen *  .
De commissaris van het arrondissement Deventer, mr. A.C. baron Bentinck, liet langer op zich wachten. Het duurde ruim veertien maanden voordat hij het onder hem berustende archief overdroeg aan de gouverneur *  . Zijn voormalige medewerker H. Kock ordende en beschreef het archief van de commissaris op 21 april 1816, zodat de stukken op 22 april in drie kisten door de expediteur R. Boelens naar Zwolle konden worden gebracht *  . Over de overdracht van het archief van de commissaris van het arrondissement Zwolle, mr. S.J. baron Sandberg, is niets bekend. Het is geruisloos en zonder enige schriftelijke correspondentie bij de gouverneur terecht gekomen. Van een inventaris ervan is evenmin iets bekend.
De eerste "inventarisatie" van de archieven uit de jaren 1813-1831 geschiedde reeds in 1849 door de archivaris van Overijssel, J. van Doorninck. In de maanden mei-juli van dat jaar maakte hij een "Catalogus der folianten van het provinciaal archief alsmede van zoodanige boeken in de bibliotheek van het gouvernement als daarmede in onafscheidbaar verband staan" *  . Daarin beschreef hij alle archieven die zich op dat moment bevonden ter griffie aan de Diezerstraat. Ook de archieven van de afdelingen op het terrein van de directe belastingen, de registratie en het kadaster zijn hierin opgenomen. In tegenstelling tot veel andere provincies zijn deze archieven, inclusief de archieven van de voorgaande directies die vanaf 1825 resp. 1826 bij de gouverneur berustten, in Overijssel grotendeels bewaard gebleven. Na de beëindiging van zijn bemoeienissen met deze zaken in 1844 zijn deze archieven namelijk niet zoals elders overgedragen aan de nieuwe directeur van de nieuw ingestelde rijksdiensten.
Hierdoor werden zij behoed voor vernietiging. Na 1844 werden de archieven van de tweede, derde en vierde afdeling met de retroacta afgesloten. Zij kwamen verspreid op diverse plaatsen in het gebouw van de provinciale griffie terecht, waar Van Doorninck een deel ervan in 1849 aantrof. De stukken die hij in de catalogus heeft opgenomen betreffen veelal het archief van de vierde afdeling (kadaster). Waarom niet alle stukken van de andere afdelingsarchieven met de daarbijbehorende retroacta in de catalogus werden opgenomen is onbekend *  .
In de loop van de 19e eeuw werden de archieven van de arrondissementscommissarissen, samen met die van de provisionele gouverneur en de commissarissen-generaal (1813-1815) aan het Rijksarchief in Overijssel overgedragen. Onbekend is wanneer dat is gebeurd, maar vermoedelijk ná 1860. Het archief van de raad van het commissariaat-generaal is overigens slechts gedeeltelijk overgeleverd. Zo ontbreken de ingekomen stukken en minuten van uitgaande stukken. Deze archieven werden geïnventariseerd en beschreven door L. van Hasselt, die van 1890 tot en met 1900 rijksarchivaris in Overijssel was. Hij vervaardigde een "Algemeene inventaris", die nu beter bekend is als "Manuscript inventaris". Hierin werden de commissarissen- archieven niet afzonderlijk genoemd, maar onder de noemer gebracht van "Archief van commissarissen-generaal, 1814 en 1815". In 1915 werden de archieven van de arrondissementscommissarissen, de commissarissen-generaal en de provisionele gouverneur (1813-1815) door de rijksarchivaris, M. Schoengen, weer aan G.S. overgedragen.
De beschrijving van deze stukken is in het jaarverslag van het Rijksarchief in Overijssel van 1915 te vinden *  . De archieven van het provinciaal bestuur waren gewoon blijven berusten in het provinciehuis, vanwaar zij in 1929 werden overgebracht naar een in 1928 gereedgekomen archiefgebouw aan de Roodehaansteeg. Aansluitend daarop, dus ruim 80 jaar na Van Doorninck's catalogus, werden de archieven beschreven en wel door J.W.C. van Campen (1929) en W.J. Formsma (vanaf 1930) *  .
Zij waren, als medewerker en Formsma later als opvolger van de provinciale archiefinspecteur M. Schoengen, belast met het inventariseren van de op de provinciale griffie berustende archieven over de periode 1813-1920. Formsma voorzag de archieven van beschrijvingen in fiche-vorm. Naast de door hem gegeven inventarisnummers gaf hij in de beschrijvingen van deze stukken ook hun oude inventarisnummers op. Of deze fiche-inventaris ook daadwerkelijk langere tijd in gebruik is geweest is de vraag; zij heeft in ieder geval nooit de status van getypte lijst bereikt *  .
Na het gereedkomen van zijn inventarisatiewerkzaamheden publiceerde hij een globaal overzicht van de archieven in zijn verslag "Algemeen overzicht van den inhoud van het archiefdepot ter provinciale griffie" in 1937 *  . Hieruit blijkt dat hij een cesuur in de afdelingsarchieven aangebracht had. De stukken van voor 1 april 1831 rekende hij samen met de retroacta tot het archief van de gouverneur uit de periode 1813-1831 maart, terwijl hij de latere stukken tot het archief van de periode vanaf april 1831 rekende *  .
Een aantal van de door Van Doorninck beschreven stukken uit de retroacta werd door Formsma niet aangetroffen. Deze zijn wellicht in de loop van de negentiende eeuw vernietigd. Ook bleek een aantal stukken uit het archief van G.S. in de loop van de tijd van het archief afgezonderd en in veel gevallen vernietigd te zijn. Deze stukken werden door Formsma niet aangetroffen, o.a. vier dagboeken van werkzaamheden en een boek van "commissorialen" van G.S., beide uit de periode 1815 februari 9 - 1820 december 5 *  . Hij vernietigde zelf ook een aantal stukken. Daarvan is helaas geen overzicht bekend *  .
Formsma zorgde tevens dat enkele onderdelen van het gouverneursarchief, die ten onrechte waren meegenomen bij de overbrenging van het oude statenarchief naar de rijksarchiefbewaarplaats in de Sassenpoort, in 1934 terugkeerden naar het provinciale archiefgebouw. Hieronder waren de tienjarige tafels op de registers van de burgerlijke stand, 1811-1832 *  ; twee banden "publicatiën" 1813- 1817 *  ; een pak met minuten van notulen van de gouverneur, 1814-1851; een pak met staten van leveranties aan de troepen, 1813-1815 en een pak met verbalen van de commissie van landbouw *  . Zij werden toegevoegd aan de rubriek "varia".
Op 30 april 1972 werden alle belangrijke provinciale archieven tot 1920 aan het Rijksarchief in Overijssel overgedragen door de commissaris van de Koningin *  . Wegens ruimtegebrek in het toenmalige gebouw van het Rijksarchief in de Sassenpoort duurde het nog tot 1977 voordat de archieven werkelijk in de depots van het nieuwgebouwde rijksarchief aan de Eikenstraat terechtkwamen. De archieven waren echter nagenoeg ontoegankelijk, doordat de nummering van de bovenvermelde beschrijvingen op fiches tot 1850 nooit op de stukken was aangebracht. In de jaren '80 is daarom begonnen met de bewerking van deze archieven, waarvan het resultaat hier voor u ligt. Het spreekt voor zich dat het werk van Van Campen en Formsma daarbij een belangrijk uitgangspunt vormde. Een belangrijk manco van het inventarisatiewerk in de jaren '30 vormde echter het feit dat men een betrekkelijk grote hoeveelheid losse stukken - sommige afgedwaald uit de verbalen, andere altijd afgezonderd geweest - "voorlopig" niet inventariseerde maar afzonderde als een aparte rubriek varia *  .
Een gedeelte van de bij de varia geplaatste stukken werd echter reeds in 1849 door Van Doorninck tot het gouverneursarchief gerekend. Eén van de voornaamste doelen van de nu afgeronde bewerking van de provinciale archieven was dan ook het opheffen van de rubriek varia en het terugbrengen van de betreffende stukken naar hun archiefvormers. De archieven van P.S. en G.S., met de daarbij gedeponeerde archieven, over de jaren 1921-1948, die reeds in 1979 door de archiefambtenaar ter provinciale griffie H. van Bommel van een inventaris waren voorzien, werden eind april 1980 door G.S. aan het Rijksarchief overgedragen *  .
4.3. Verantwoording van de inventarisatie
4.3.1. Ordening
De archieven van het provinciaal bestuur 1813-1920 waren tot halverwege de jaren tachtig nagenoeg ontoegankelijk. Van slechts enkele onderdelen waren toen summiere plaatsingslijsten beschikbaar van de hand van B.H.H.M. Koerhuis, P.W.J. den Otter, S. Veltrop en W.A. Hoffstädt. Voor het gedeelte 1921-1948 (P.S. en G.S.) was er wel een voldoende toegang in de vorm van de inventaris van H. van Bommel uit 1979. Aangezien zich in het reeds eerder naar het Rijksarchief overgebrachte gedeelte van voor 1921 vele stukken van na 1920 bevonden, werd besloten de inventaris van Van Bommel te integreren met de periode 1831 - 1920.
Met name was hier een belangrijk argument dat er in 1920/1921 geen cesuur in het archief noch in de administratie was opgetreden. Vanaf 1988 werd de bewerking van de archieven van het provinciaal bestuur projectmatig aangepakt onder leiding van het hoofd van de afdeling Inventarisatie, J. Folkerts; vanaf 1 mei 1993 onder leiding van de rijksarchivaris, H. Bordewijk. Er werden voorlopige inventarissen vervaardigd van de diverse onderdelen, die als basis voor de huidige bewerking dienden. Vrijwel alle voorlopige inventarissen werden vervaardigd door J.H. Wigger, met uitzondering van die van het archief van de gouverneur (1814-1831), dat door J. Folkerts werd geïnventariseerd, en dat van het departementaal bestuur van de Monden van de IJssel (1813-1814), dat door Wigger en Folkerts gezamenlijk werd bewerkt.
Na het eind 1993 gereedkomen van alle deelinventarissen werd overgegaan tot de definitieve indeling van de inventaris. Niet alleen moest nog een hoofdindeling ontworpen worden, ook moesten de verschillende deelinventarissen zo mogelijk volgens dezelfde systematiek onderverdeeld worden. Daarnaast moest ook gezorgd worden voor inhoudelijke consistentie van de afzonderlijke beschrijvingen. Dit onderdeel van het project nam H. Bordewijk voor zijn rekening. Onder de samenvattende titel "archieven van het provinciaal bestuur van Overijssel, 1813-1920/1948" werden in één inventaris verenigd: archieven van het departementaal bestuur van de Monden van de IJssel, 1813-1814, archieven van het provinciaal bestuur van Overijssel, 1814-1920/1948, archieven van commissies in die laatste periode ingesteld door resp. P.S., G.S. en de gouverneur/CdK. en tenslotte archieven gedeponeerd bij deze organen.
De eindcesuur werd bepaald door het moment van de invoering van de code VNG. In het archief van G.S. en de gouverneur/CdK. gebeurde dat per 1 januari 1949. Het archief van de gouverneur/CdK. is in deze inventaris echter beschreven tot 1 januari 1921, om reden dat vorige bewerkers ter provinciale griffie het archief van dit bestuursorgaan van 1921-1970 als één geheel in één inventaris hadden beschreven. Daarbij hadden zij tevens het oorspronkelijk volgens het verbaalstelsel geordende gedeelte uit de periode 1921-1948 alsnog volgens de code-VNG herordend.
Dit is er de oorzaak van dat in deze inventaris de archieven van P.S. en G.S. tot 1949 lopen, terwijl het archief van de gouverneur/CdK. slechts tot 1921 loopt. Zoals hierboven al is beschreven, vond in de archiefvorming bij het provinciaal bestuur van Overijssel een archivistische breuk plaats op 1 april 1831, toen de tot dan toe vigerende ordening volgens het divisie/afdelingenstelsel bij G.S. en de gouverneur plaats moest maken voor het integraal verbaalstelsel, zoals dat sinds 1823 voor de rijksadministratie was voorgeschreven. Dit maakte het noodzakelijk de archieven van G.S. en de gouverneur/CdK. van 1814-1920/1948 in tweeën te delen: de archieven van het provinciaal bestuur uit de periode 1814-1831 maart en uit periode 1831 april-1920/ 1948. Gezien deze noodzaak werd besloten vanuit het oogpunt van gebruikersvriendelijkheid ook het archief van P.S. van 1814-1948 per 1 april 1831 in tweeën te delen. Na deze hoofdindeling in drie periodes is gekozen voor een indeling per archiefvormer per periode. In de periode 1813-1814 in: provisioneel gouverneur en commissarissen-generaal en de raad van het commissariaat-generaal, en in de periodes 1814-1831 maart en 1831 april- 1920/1948 in: P.S., G.S. en gouverneur/CdK.
Per archiefvormer lag behoudens in de periode 1814-1831 maart steeds een indeling in twee hoofdrubrieken "stukken van algemene aard" en "stukken betreffende afzonderlijke onderwerpen" gezien de oude orde voor de hand. In de periode 1814-1831 maart is echter per archiefvormer eerst nog een onderverdeling naar divisie/afdeling toegepast. Na 1831 maart hield de gouverneur/CdK. de vertrouwelijke stukken nog steeds apart zodat naast het "hoofdarchief" een "kabinetsarchief" is gevormd. De hoofdrubriek "stukken betreffende afzonderlijke onderwerpen" is onderverdeeld in rubrieken en zonodig deze weer in subrubrieken. De volgorde van de rubrieken is de gebruikelijke van de code-VNG. Zoals te verwachten bij het toegepaste ordeningsstelsel bevindt zich het leeuwedeel der stukken binnen de hoofdrubriek "stukken van algemene aard". Uitzondering daarop vormt in de periode 1831 april-1920 slechts de rubriek "belastingen" van de gouverneur/CdK, waarin voor de jaren 1831 april-1844 alle stukken betreffende belastingen zich in aparte series verbalen bevinden. De onderverdeling van deze rubriek wijkt derhalve sterk af van de overige onderverdelingen.
4.3.2. Vernietiging
Vanaf 1932 is systematisch gewerkt aan de vernietiging uit de provinciale archieven van de stukken die voorkwamen op de opeenvolgende ministeriële lijsten van vernietigbare stukken in provinciale archieven *  .
Met name uit de series verbalen werden vele nummers vernietigd. Na overbrenging naar het Rijksarchief bleek dat men ter griffie niet meer toegekomen was aan het vernietigen van stukken uit de verbalen van G.S. over de periode 1919 -1920 en van de CdK. over de periode 1915 - 1920. Dit is niet alsnog gebeurd. Lijsten met de vernietigde verbaalnummers zijn in de studiezaal van het Rijksarchief in Overijssel aanwezig.
Tijdens de definitieve inventarisatie werden nog enige meters bescheiden aangetroffen die op grond van de vernietigingslijst alsnog vernietigd zijn *  . Uitdrukkelijk is van de vernietigingslijst afgeweken ten aanzien van de gemeenterekeningen van na 1923. Besloten is deze serie integraal in het archief van G.S. te bewaren, aangezien de gemeentelijke archiefzorg in Overijssel van dien aard is, dat aangenomen moet worden dat niet bij alle gemeenten deze bescheiden nog aanwezig zijn. Daarbij speelde ook de moeilijke toegankelijkheid van de archieven van vele gemeenten voor de onderzoeker mee.
4.3.3. Kaarten
Een apart probleem vormden nog de kaarten. Deels waren deze vanwege hun formaat al tijdens de periode dat de archieven op de griffie beheerd werden apart geborgen, deels gebeurde dit later ten rijksarchieve. Deze kaarten zijn alle opgenomen in de Kaartenverzameling van het Rijksarchief in Overijssel en apart beschreven en genummerd in de Kaartencatalogus. In de loop der jaren was het verband tussen een groot aantal van deze kaarten en de archiefstukken waarbij zij behoorden verloren gegaan. Nijver speurwerk van J.H. Wigger heeft dit verband in verreweg de meeste gevallen weer hersteld. In de Kaartencatalogus van het RAO wordt bij de kaarten (ca. 1400) afkomstig uit de archieven van het provinciaal bestuur verwezen naar deze inventaris. In de inventaris is bij de betreffende inventarisnummers een N.B. geplaatst met een verwijzing naar het nummer van de Kaartencatalogus. In de inventaris zijn dergelijke N.B. 's niet opgenomen indien de betreffende kaarten gelicht zijn uit de series verbalen. In die gevallen is in het desbetreffende verbaal een verwijsblad gelegd. Het is niet denkbeelding dat zich in de series verbalen nog niet gelichte kaarten bevinden. Gezien de omvang van deze series was het niet mogelijk de verbalen systematisch hierop te doorzoeken.
4.3.4. Materiële zorg
In de periode 1988-1993 waren door M.H.R. Kok, N. Schilstra, E. Schutte en S. Veltrop de meeste grote series al van portefeuilles overgepakt naar archiefdozen, maar een groot gedeelte moest nog definitief verpakt worden, terwijl het geheel (bijna 1, 5 kilometer) nog in nieuwe zuurvrije dozen en omslagen verpakt en geëtiketteerd moest worden. Aan dit project werkten in 1994 gedurende kortere of langere tijd M. Bollema, A.J. Bruines, J.A. Hiemstra, H. van Ingen, F.G.J. Jansen, G.J.G. de Lange, R. Nooteboom, D. Onderstal en H.J.E. Wevers. De cordinatie van deze verpakkingsoperatie was in handen van P.W.J. den Otter en S. Kist, terwijl assistentie bij het aanmaken van etiketten en het omnummeren werd verleend door P. van der Most, G.B. Schakelaar, G.J.G. de Lange en A.M.M. de Ruijter. Restauratie-en conserveringswerkzaamheden werden - zo nodig - uitgevoerd door H.A.J. Hoes en P. van der Most. Op donderdag 25 augustus 1994 werd het laatste van de 19.658 nummers geplakt.
4.3.5. Publikatie
F.W.J. van den Berg verzorgde (een belangrijk deel van) de inleiding, daarbij steunend op eerder werk van J. Folkerts en op F.J.M. Ottens inventaris van het archief van de gouverneur des Konings in Noord-Holland. De verantwoording van de inventarisatie is van de hand van H. Bordewijk. De bijlagen werden verzorgd door J.H. Wigger, terwijl de aanwijzingen voor het gebruik werden vervaardigd door J. Folkerts en H. Bordewijk. W.F. Siebenga tenslotte zette alle deelinventarissen om in WP en verzorgde de lay-out van de inventaris.
5. Aanwijzingen voor het gebruik
5.1. Toelichting
Een overzicht van de geschiedenis, de taken en bevoegdheden van het provinciaal bestuur in de periode 1813-1948 vindt men in de Inleiding (p. xi - xl). Hierin wordt ook aandacht besteed aan de vorming en geschiedenis van de archieven en aan de wijze waarop deze geordend zijn (p. xliv - lvi). Een systematisch overzicht van de inhoud van het inventarisgedeelte treft men aan op p. lxxxv - xcii. Naast de archieven van het provinciaal bestuur zijn in deze inventaris ook een groot aantal commissiearchieven en gedeponeerde archieven opgenomen. Voor nadere gegevens over deze archieven wordt verwezen naar de kopnoten bij deze archieven in de inventaris (p. 353 - 435). Voor het daadwerkelijk onderzoek naar gegevens in de archieven van Provinciale Staten (P.S.), Gedeputeerde Staten (G.S.) en van de gouverneur/commissaris van de Koning (in) (CdK.) zijn de onderstaande aanwijzingen.
5.2. Algemeen
5.2.1. Welke periode?
De onderzoeker die werkt in de archieven van het provinciaal bestuur van Overijssel, verkeert in de gelukkige omstandigheid, dat hij/zij niet zoals in sommige andere provincies geconfronteerd wordt met herhaalde wijzigingen in de door de administratie gevolgde archiefstelsels, welke voor het onderzoek soms hinderlijke barrières opwerpen. Naast een juridisch-administratieve breuk per 11 mei 1814 is er maar één grote archivistische breuk, nl. per 1 april 1831, wanneer de provinciale administratie het uit de Franse tijd daterende divisiestelsel loslaat en overgaat op het door het rijk algemeen ingevoerde verbaalstelsel 1823. De inventaris is derhalve in drie periodes ingedeeld: 1813 - 1814 mei; 1814 mei - 1831 maart; 1831 april - 1948.
5.2.2. Welke archiefvormer?
Alvorens men zijn feitelijke onderzoek in de archieven van het provinciaal bestuur begint, dient men zich af te vragen welke van de provinciale bestuursorganen zich met het onderwerp van zijn/haar onderzoek kan hebben bezig gehouden. Daartoe is enige kennis van de taakverdeling tussen deze organen nodig; een taakverdeling die zich in de loop van de periode 1813-1948 belangrijk gewijzigd heeft, vooral als gevolg van de provinciale wet van 1850. Informatie hierover vindt U in het eerste gedeelte van de Inleiding (p. xxiv - xxxix).
5.2.3. Welke divisie/afdeling ?
Doet men onderzoek in de archieven van G.S. of de gouverneur in de periode voor 1 april 1831, dan is het van belang iets te weten over het toen vigerende divisiestelsel. Beide organen hadden in deze periode hun administratie in divisies ingedeeld. Deze indeling is ook in de inventaris terug te vinden als hoofdindeling van de archieven van G.S. en de gouverneur. Deze hoofdindeling in beide archieven is als volgt: Eerste divisie: "Policie". In de praktijk alle zaken die niet tot de andere divisies behoorden; Tweede divisie: Financiën; Derde divisie: Militie. Deze divisie werd pas in 1817 opgericht. Voor die tijd vindt men de militiezaken bij de Eerste divisie.
De gouverneur kende naast deze divisies nog een kabinet (voor de vertrouwelijke stukken) en sedert 1825 c.q. 1826 drie afdelingen: Afdeling directe belastingen; Afdeling registratie; Afdeling kadaster.
Per 1 april 1831 werd de indeling in divisies opgeheven. Echter bij de gouverneur/CdK bleef naast het "hoofdarchief" een "kabinetsarchief" bestaan. Ook voor zijn taken op het terrein van de belastingen hield de gouverneur tot 1 mei 1844 aparte "afdelingsarchieven aan; nl. de Tweede, Derde en Vierde afdeling. Deze stukken zijn in de hoofdrubriek "stukken betreffende afzonderlijke onderwerpen" onder de rubriek "belastingen" in de inventaris opgenomen.
5.2.4. Algemene series of afzonderlijke onderwerpen ?
Steeds is per archiefvormer/divisie/afdeling een indeling in twee hoofdrubrieken toegepast: stukken van algemene aard; stukken betreffende afzonderlijke onderwerpen.
Voor de onderzoeker is het van buitengewoon belang om altijd beide hoofdrubrieken te raadplegen. Als in de inventaris bijvoorbeeld stukken betreffende openbare orde afzonderlijk zijn beschreven, dan is dat alleen gebeurd omdat deze stukken van ouds buiten de algemene series zijn bewaard. Over nagenoeg alle denkbare onderwerpen vindt men de meeste stukken in de "stukken van algemene aard". Voor alle soorten onderzoek is men dus ook aangewezen op de in deze hoofdrubriek ondergebrachte algemene series, waarin men naar afzonderlijke onderwerpen kan zoeken op de wijze, zoals hieronder wordt uiteengezet (zie onder E.).
5.2.5. Onderzoek in de archieven van Gedeputeerde Staten en de gouverneur/commissaris van de Koning(in)
De archieven van G.S. en van de gouverneur/CdK. kenmerken zich doordat veruit het grootste deel bestaat uit aaneengesloten series notulen c.q. besluiten, correspondentie en bijlagen (de verbalen). De griffie heeft ten tijde van de archiefvorming een zeer bruikbaar systeem van toegangen op deze massa papier ontwikkeld, waarvan de voornaamste zijn de agenda's en de repertoria. Slechts zeer weinig stukken bleven buiten deze series. Men vindt deze steeds in de hoofdrubriek "stukken van algemene aard".
Wie grondig in de provinciale archieven wil zoeken heeft vrijwel altijd de toegangen nodig: een efficiënt gebruik van deze toegangen is dus essentieel voor een vruchtbare raadpleging van het archief. Hoe deze toegangen werken kan men hieronder vinden (zie onder II.). Denk nooit dat alle stukken over een bepaald onderwerp in de hoofdrubriek "stukken betreffende afzonderlijke onderwerpen" van de inventaris zijn te vinden. Raadpleeg altijd de toegangen bij het zoeken naar een onderwerp en met name de repertoria. De archieven van G.S. en de gouverneur/CdK. zijn zowel voor als na 1 april 1831 altijd strikt gescheiden geweest. De opbouw van de archieven is echter, inclusief de samenstelling van de toegangen, volstrekt identiek.
5.2.6. Onderzoek in het archief van Provinciale Staten
Het weinig omvangrijke archief van P.S. is eenvoudig van opzet. De ruggegraat van dit archief wordt gevormd door de serie per zitting c.q. vergadering bijeengevoegde notulen van die zitting/vergadering met alle vergaderstukken. Deze serie omvat de periode 1814-1948. Van deze notulen werd een net exemplaar gehouden; van 1814-1855 geschreven in enkele grote registers, inv. nrs. 63 - 64 en 2775 - 2779, vanaf 1842 ook gedrukt. Deze gedrukte serie is voorhanden tot en met 1948, inv. nrs. 2780 - 2830. Naarmate de tijd voortschreed werden de notulen uitgebreider (stenografisch verslag) en werden ook steeds meer vergaderstukken afgeschreven/gedrukt.
Steeds minder is men aangewezen op de originele vergaderstukken en notulen. De gedrukte notulen c.a. zijn ook buiten het Rijksarchief in verschillende bibliotheken te raadplegen; bijv. in de Provinciale Bibliotheek van Overijssel. Niet alleen op datum, maar ook op onderwerp is het archief van P.S. vrij goed toegankelijk. De gedrukte notulen/vergaderstukken zijn elk afzonderlijk voorzien van een index. Daarenboven zijn over de periode 1814-1941 cumulatieve indices voorhanden (inv. nrs. 2831 - 2837). Deze indices zijn ook in fotokopie in de studiezaal van het Rijksarchief in Overijssel aanwezig.
Vermeldenswaard zijn ook de verslagen betreffende de toestand der provincie, die door G.S. jaarlijks aan P.S. moesten worden aangeboden. Deze verslagen (sedert 1830 gedrukt) bevinden zich in de inv. nrs. 2850 - 2956. In de loop van de jaren worden de verslagen steeds uitgebreider en gedetailleerder, met name na de invoering van de provinciewet van 1850. Ook het aantal statistieken neemt dan toe. Met ingang van het verslag over 1851 is ook een trefwoordenindex opgenomen. Het sedert 1850 steeds meer uitdijende verslag wordt met ingang van 1921 naar omvang verkleind en qua inhoud aanzienlijk vereenvoudigd. Vanaf dat moment staan vele andere, al dan niet statistische verslagen de onderzoeker ten dienste. Bij voorbeeld de verslagen van de kamers van koophandel en fabrieken.
5.3. Hoe te zoeken?
5.3.1. Zoeken naar een bepaald ingekomen stuk
In de agenda is - behalve tussen 1815 en 1 april 1831 - vrij eenvoudig het verband vast te stellen tussen het ingekomen stuk en het daarop genomen besluit. Het ingekomen stuk is steeds in dat besluit geborgen, zodat men aan het in de agenda genoteerde nummer van dat besluit genoeg heeft om het betreffende stuk te kunnen opsporen in de serie verbalen. Tussen 1815 en 1831 is het zoeken naar het ingekomen stuk enigszins problematisch. Men moet dan ofwel via het betreffende onderwerp in het repertorium eerst het uitgaande stuk opsporen, ofwel de datum van het uitgaande stuk schatten en rechtstreeks zoeken in het verbaal. In sommige gevallen wordt een ingekomen stuk niet in de bijbehorende minuut van het uitgaande stuk aangetroffen. Het kan dan gelicht zijn bij een latere behandeling van dezelfde zaak, en dus in een volgend verbaal zijn terechtgekomen. In de meeste gevallen (niet altijd!) is dit verbaal op te sporen door de verwijsnummers in de agenda te gebruiken.
Let op: in de volgende divisies zijn de ingekomen stukken in afzonderlijke series geborgen: G.S., Eerste divisie, 1814-1827 (inv. nrs. 99 - 173); Gouverneur, Eerste divisie, 1814, 1816-1818 (inv. nrs. 820 - 853)
5.3.2. Zoeken naar een bepaald uitgaand stuk
Uiteraard vindt men de uitgaande stukken zelf nooit in het archief, maar wel de minuten, die de letterlijke tekst van de brief bevatten. Als men een datum heeft - let wel: niet de datum waarop het stuk bij de geadresseerde is binnengekomen, maar die van de verzending te Zwolle - dan kan men het eenvoudigst in de verbalen onder de betreffende datum zoeken. Als men wel ongeveer een datum heeft maar niet exact, kan men het beste het repertorium hanteren.
Hierin staan de minuten van uitgaande stukken alfabetisch-chronologisch of systematisch- chronologisch gerangschikt naar onderwerp geregistreerd. Hierbij is het uiteraard noodzakelijk dat men het onderwerp van de betreffende brief kent. Terwijl men de agenda dus als primaire toegang op de ingekomen stukken kan beschouwen, fungeert het repertorium vooral als toegang op de uitgaande stukken. Het noodzakelijk verband tussen ingekomen en uitgaand stuk vindt men echter in de agenda (behalve in de periode 1814-maart 1831); de gebruiker zij echter gewaarschuwd dat de aantekeningen omtrent de afhandeling van een ingekomen stuk vaak uiterst summier zijn.
5.3.3. Zoeken naar een onderwerp
Voor deze zoekwijze is het repertorium de aangewezen weg. Uiteraard dient men zich voor april 1831 eerst steeds af te vragen tot de competentie van welke divisie/afdeling het betreffende onderwerp behoorde. Datum en nummer van het stuk in het repertorium corresponderen met de verbalen. Wil men van de inhoud kennis nemen, dan moet men ook de verbalen zelf, de minuut van het besluit c.q. het uitgaande stuk van de betreffende datum raadplegen.
5.4. Verklaring van de belangrijkste archivistische termen
5.4.1. Verbaal
5.4.1.1. Tot 1 april 1831
In deze periode vormt het verbaal de ruggegraat van de archieven van G.S. en gouverneur; per divisie/afdeling is er een serie verbalen. De verbalen bestaan uit de minuut- notulen c.q. -besluiten of minuten van uitgaande stukken met bijlagen. Daarnaast is er een serie net-notulen c.q. -besluiten, die echter maar tot 1823 loopt. De ingekomen stukken zijn geheel als bijlagen bij de minuten van besluiten c.q. uitgaande stukken te beschouwen.
Bij binnenkomst wordt het ingekomen stuk met een volgnummer ingeschreven in de agenda. Dit volgnummer en de datum van ontvangst worden linksboven op het stuk genoteerd. Meestal wordt daarbij ook vermeld de divisie die het stuk diende af te handelen. Zo bijvoorbeeld "Policie" voor de stukken van de Eerste divisie. Op de rechterpaginahelft van de agenda wordt aantekening gehouden van de afdoening van het stuk. Wanneer geen gevolg aan het stuk wordt gegeven, wordt hier slechts "notificatie" vermeld. In vrijwel alle andere gevallen vindt men hier een korte omschrijving van de afdoening.
De minuut van het uitgaande stuk ontvangt altijd een volgnummer dat men meestal ook vindt aangegeven - met rode inkt - op het ingekomen stuk waarop het uitgaande stuk een reactie is. De nummers van de uitgaande stukken corresponderen op hun beurt weer met de nummers van de net-notulen c.q -besluiten. Bij afhandeling/verzending werd het besluit/uitgaand stuk onder het desbetreffende onderwerp ingeschreven in het repertorium met vermelding van datum en nummer. De ingekomen stukken zijn geborgen in het dubbelvel waarop de minuut staat, waarbij zij als bijlagen worden beschouwd. In 1813-1814 heeft men een doorlopende nummering voor het hele jaar; daarna een dagnummering. Wie een stuk zoekt in deze verbaalseries heeft dus altijd een datum en een nummer nodig.
5.4.1.2. Na 1 april 1831
Op 1 april 1831 is de indeling in divisies afgeschaft. De archieven zijn geordend volgens het verbaalstelsel 1823. De kern van ieder archief wordt gevormd door één serie verbalen, door de archiefvormer ook wel notulen genoemd. Alleen bij de gouverneur/CdK. doet zich een uitzondering voor bij de vertrouwelijke stukken. Deze zijn tot een aparte serie verbalen gevormd (het "kabinetsarchief"). Daarnaast zijn tot mei 1844, toen deze taken naar het rijk overgingen, binnen het archief van de gouverneur nog aparte series verbalen voor de verschillende belastingen blijven bestaan.
De verbalen bestaan steeds uit een dubbelvel, waarop het besluit is geschreven dat door G.S. c.q. de gouverneur/CdK. naar aanleiding van een bepaalde zaak is genomen, met daarin ingevoegd als bijlagen de stukken die tot dat besluit hebben geleid, zoals ingekomen stukken, rapporten etc. De ingekomen stukken zijn dus geheel als bijlagen bij de minuten van besluiten c.q. uitgaande stukken te beschouwen. De verbalen zijn chronologisch geborgen op datum van afdoening. Per jaar zijn ze doorlopend genummerd. Wie een stuk zoekt in deze verbaalserie heeft dus altijd een nummer nodig. Om dat nummer te kunnen vinden staan er twee wegen open:
1. chronologisch in de agenda's;
2. systematisch in de systematisch-chronologische repertoria.
5.4.2. Agenda
De agenda is een register waarin per jaar en in chronologische volgorde aantekening wordt gehouden van de ingekomen stukken. In de meest uitgebreide vorm worden vermeld: - het nummer (aanvankelijk no. van orde, later volgnummer genoemd); - de afzender / schrijver; - datum en eigen nummer van ingekomen stuk; - aantal bijlagen; - vermelding of een ingekomen stuk een antwoord is op een eerder schrijven van het provinciaal bestuur; - inhoud ("onderwerp"); - de afdeling of commissie (later alleen afdeling) die het stuk behandelt; - het door het bestuur genomen besluit; - datum en nummer van het besluit; - verwijzing naar vroegere of latere stukken; - opmerkingen.
Tot april 1831 wordt de datum en het nummer van het besluit niet in de agenda vermeld en worden de ingekomen stukken per dag genummerd (zie verder onder II. A.). Vanaf 1 april 1831 is het betreffende ingekomen stuk te vinden onder het nummer van het in de agenda vermelde besluit, tenzij het vernietigd is (zie lijst van vernietigde verbaalnummers in de studiezaal van het Rijksarchief in Overijssel). Het ingekomen stuk is in dit ordeningsstelsel geborgen in het dubbelvel waarop het besluit c.q. de minuut van het uitgaande stuk is geschreven, met daarin liggend de bijlagen (het verbaal).
5.4.3. Repertorium
Het repertorium is een onderwerpsgewijs ingedeeld overzicht van de uitgaande stukken met korte vermelding van de inhoud, het verbaalnummer waaronder het stuk in het archief is geborgen, de datum en eventuele oudere en jongere verbalen welke op de zaak betrekking hebben. Binnen de onderwerpen staan de stukken chronologisch vermeld. In de systematisch- chronologische repertoria zijn de zaken onder een beperkt aantal vaste onderwerpen ingeschreven, overeenkomend met de objecten van bemoeienis van de administratie. Vanwege hun omvang is men er toe overgegaan de eigenlijke repertoria vooraf te laten gaan door een of twee ingangen op het onderwerpsgewijs ingerichte deel. Dit zijn dus geen rechtstreeks "neveningangen" op het verbaal, maar handzame toegangen tot het repertorium zelf.
Meestal, maar niet altijd is er een alfabetische hoofdenlijst, met verwijzing naar de pagina's van de betreffende rubrieken. Ook is er soms een chronologische lijst van alle zaken, met verwijzing naar de betreffende rubriek en pagina. Soms ontbreekt één van beide ingangen. Zoekt men naar stukken van een bepaalde datum, zonder een afgebakend onderwerp dan is het aan te bevelen eerst de chronologische lijst te raadplegen, en de verwijzingen naar de gewenste onderwerpen te noteren. Vervolgens gebruikt men het tweede deel van het repertorium om onder de betreffende rubriek een indruk te krijgen van de globale inhoud van het stuk. Zoekt men naar een niet in de tijd afgebakend onderwerp dan kan men gelijk het tweede gedeelte van het repertorium gebruiken.
Soms werd een alfabetisch-chronologisch repertorium aangelegd. Dit is gebeurd in de volgende archieven/divisies: G.S., Eerste divisie, 1814-1827; G.S., Tweede divisie A, 1814-1831; Gouverneur, Eerste divisie, 1815-1823; In deze repertoria zijn de uitgaande stukken onder onderwerpen gerangschikt, die per letter in chronologische volgorde zijn ingeschreven. De volgorde is alfabetisch, maar niet alfabetisch-lexicografisch: men vindt dus soms "armenzorg" voor "aanbestedingen". Heeft men een onderwerp vastgesteld, maar geen datum, dan dient de hele letter te worden doorgelopen.
In de periode 1928-1948 verandert het repertorium op het verbaal van G.S. naar vorm en deels naar inhoud. De hoofdenlijsten worden nu in afzonderlijke registers ondergebracht, die als chronologische toegang op het verbaal fungeren. De onderwerpsontsluiting van het verbaal wordt vanaf 1928 in een kaartsysteem ondergebracht, dat een tamelijk verfijnde hoofdindeling kent en binnen elke rubriek een zaaksgewijze ordening. Het "ouderwetse" verbaalstelsel wordt in deze periode ontsloten op de wijze van een "moderne" zaaksgewijze ordening.
5.5. De gang van het stuk door de administratie: van binnenkomst tot afhandeling in de periode 1831-1948
Bij binnenkomst wordt het stuk genoteerd in de agenda en voorzien van een zgn. agendanummer. Deze nummering wordt bepaald door de chronologische volgorde van binnenkomst en loopt het hele jaar door. In de agenda wordt vervolgens een groot aantal gegevens van het stuk aangetekend: datum en nummer van het stuk zelf, datum van binnenkomst, afzender, aantal bijlagen, (eventueel) nummer en datum van de brief waarop deze ingekomen brief een antwoord is, korte omschrijving van het onderwerp, de naam van de behandelend ambtenaar of afdeling, inhoud, datum en nummer van het besluit (=verbaalnummer), en (eventuele) nummers van vroegere en latere stukken die betrekking hebben op dezelfde zaak. Op grond van het binnengekomen stuk wordt door de behandelende ambtenaar of afdeling een concept-besluit vervaardigd op basis waarvan het betreffende bestuursorgaan zijn besluit nam.
Het concept wordt vervolgens minuut-besluit, op grond waarvan het uitgaande stuk wordt opgemaakt. Het minuut-besluit c.q. minuut van het uitgaande stuk is op een dubbelvel geschreven waarin als bijlagen ingevoegd worden de stukken die tot dat besluit hebben geleid, zoals ingekomen stukken, rapporten etc. Dit geheel noemt men verbaal. Het minuut-besluit wordt voorzien van de volgende aantekeningen: behandelende ambtenaar of afdeling, datum, agenda- en verbaalnummer, korte omschrijving van de beschikking en een aantekening met betrekking tot de datum van verzending (expeditie) en tenslotte vaak nog een vermelding van de rubriek waarin het betreffende besluit werd ingeschreven in het repertorium.
Het repertorium bestaat uit twee, soms uit drie delen. Het eerste deel, de zgn. hoofdenlijst, bevat in volgorde van verbaalnummers de vermelding van de rubrieken waaronder elk stuk is ingeschreven, de datum, het verbaalnummer en de verwijzing naar het paginanummer in de eigenlijke index. Later wordt in deze lijst ook de behandelende afdeling en het agendanummer vermeld, het agendanummer vanaf 1835. In het repertorium, systematisch ingedeeld met korte inhoudelijke omschrijvingen in chronologische volgorde van de besluiten, vindt men behalve die omschrijving, de datum van het besluit en zowel het agendanummer als het verbaalnummer. Waar de agenda dus in de eerste plaats een toegang is op de ingekomen stukken en de gang van het stuk door de administratie "volgt", is het repertorium in de eerste plaats een nadere toegang op de besluiten, c.q. de minuten van uitgaande stukken. In de eerste decennia van de 19de eeuw vindt men naast de twee genoemde onderdelen van het repertorium ook nog een overzicht van gebruikte rubrieksaanduidingen en de bijbehorende paginaverwijzingen: eigenlijk een inhoudsopgave van het repertorium.
6. Bijlages
6.2. Overzicht van de bestuurders en griffiers van Overijssel in de periode 1813 - 1948
6.2.1. Bestuurders in de overgangsperiode 1813 - 1814
6.2.1.1. 21 nov 1813 - 18 dec 1813
Provisionele gouverneur: Berend Hendrik baron Bentinck tot Buckhorst (1753-1830)
Gedelegeerden: Willem Steven van der Gronden (1758-1832); Hendrikus Willem Greven (1762-1842); Georg Royer (1747-1839); Albertus Sandberg tot 't Laar (1768-1843)
6.2.1.2. 18 dec 1813 - 11 mei 1814
Commissarissen-generaal: Adolf Warner baron van Pallandt tot Eerde en Beerse (1743- 1823); Willem Hendrik baron van Hambroick tot Weleveld (1744-1822)
Leden van de raad van het commissariaat-generaal: Jan ter Pelkwijk (1768-1834); Albertus Sandberg tot 't Laar (1768-1843); Anthony Coenraad Willem baron van Haersolte tot den Doorn, Zuthem en Haerst (1760-1820); Coenraad Willem baron Sloet tot Tweenijenhuizen (1767-1849)
Secretaris-generaal: Willem Steven van der Gronden (1758-1832)
6.2.1.3. 11 mei 1814 - 6 okt 1814
Gouverneur: Berend Hendrik baron Bentinck tot Buckhorst (1753-1830)
Leden van de raad van de gouverneur: Jan ter Pelkwijk (1768-1834); Albertus Sandberg tot 't Laar (1768-1843); Anthony Coenraad Willem baron van Haersolte tot den Doorn, Zuthem en Haerst (1760-1820); Coenraad Willem baron Sloet tot Tweenijenhuizen (1767-1849)
Secretaris-generaal: Willem Steven van der Gronden (1758-1832)
6.2.3. Gedeputeerden in de periode 1814 - 1948
De afkortingen die hieronder in de periode 1814-1850 gebruikt worden hebben de volgende betekenis:
R = vanwege de ridderschap;
S = vanwege de steden; met de toevoeging van een van de drie steden Deventer, Kampen of Zwolle;
L = vanwege de landelijke stand.
Vanaf 1919 is de politieke partij vermeld. De betekenis van de gebruikte afkortingen van deze partijen is:
alg. bond r.k. = algemene bond rooms katholieken;
a.r.p. = anti revolutionaire partij;
c.h.u. = christelijke historische unie;
k.v.p. = katholieke volkspartij;
lib. s.p. = liberale staatspartij;
n.s.b. = nationaal socialistisch bond;
p.v.d.a. = partij van de arbeid;
r.k.s.p. = rooms katholieke staatspartij;
s.d.a.p. = sociaal democratische arbeiderspartij; vrijz. dem.bond= vrijzinnig democratische bond
Kenmerken
Datering:
1813 - 1920 / 1948
Omvang archiefblok:
1482
Toegang:
Wigger, J.H. en J. Folkerts, Inventarissen van de archieven van het Provinciaal Bestuur van Overijssel, 1813 - 1920 / 1948, Zwolle (1995).
Openbaarheid:
Het archief is openbaar.
Categorie:
Archiefvormer(s)::
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS